Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
Tobit 5
Een reisgenoot die een engel is
Tobias zoekt een reisgenoot
Tobias antwoordde: Vader, alles wat u mij opdraagt, zal ik doen.
Maar hoe kan ik dat geld krijgen, terwijl ik hem niet ken?
Toen gaf hij hem het schuldbewijs en zei tegen hem:
Zoek een man die met je meegaat, zolang ik nog leef, en ik zal hem loon geven.
Ga op reis en haal het geld op.
Ga op reis en haal het geld op.
Hij ging weg om een man te zoeken, en hij vond Rafaël.
Dat was een engel, maar hij wist het niet.
Hij zei tegen hem: Zou u met mij mee kunnen gaan naar Rages in Medië?
Bent u daar ook bekend?
De engel zei tegen hem: Ik zal met je meegaan, want ik heb bij onze broeder Gabaël gelogeerd.
Tobias zei tegen hem: Wacht op mij, ik ga het mijn vader zeggen.
En hij zei tegen hem: Ga maar en blijf niet lang weg.
En hij zei tegen hem: Ga maar en blijf niet lang weg.
Tobit vraagt naar zijn afkomst
Hij ging naar binnen en zei tegen zijn vader: Kijk, ik heb iemand gevonden die met mij mee zal reizen.
En hij zei: Roep hem bij mij, zodat ik kan horen uit welke stam hij komt en of hij te vertrouwen is om met jou mee te reizen.
En hij riep hem.
En hij zei: Roep hem bij mij, zodat ik kan horen uit welke stam hij komt en of hij te vertrouwen is om met jou mee te reizen.
En hij riep hem.
Hij kwam binnen en zij groetten elkaar.
Tobit zei tegen hem: Broeder, uit welke stam en uit welke familie komt u?
Vertel het mij.
Vertel het mij.
En hij zei tegen hem: Zoekt u een stam of een familie, of iemand die voor loon met uw zoon meereist?
En Tobit zei tegen hem: Broeder, ik wilde graag uw familie en uw naam weten.
En Tobit zei tegen hem: Broeder, ik wilde graag uw familie en uw naam weten.
Toen zei hij: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een van uw volksgenoten.
En Tobit zei: Welkom, broeder.
En word niet boos op mij, omdat ik naar uw stam en uw familie gevraagd heb.
U bent ook mijn broeder, uit een eerlijke en goede familie.
Want ik ken Ananias en Jonathan wel, de zonen van de grote Semeï.
Want ik ken Ananias en Jonathan wel, de zonen van de grote Semeï.
Wij zijn samen naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden, en brachten daar de eerstgeboren dieren en het tiende deel van de oogst.
En zij lieten zich niet meeslepen in de afdwaling van onze volksgenoten.
Broeder, u komt uit een groot geslacht.
Maar zeg mij: welk loon zal ik u geven?
Een drachme per dag en wat u nodig hebt, net als mijn zoon, en ik zal u boven op het loon nog iets toeleggen als jullie gezond terugkomen.
Maar zeg mij: welk loon zal ik u geven?
Een drachme per dag en wat u nodig hebt, net als mijn zoon, en ik zal u boven op het loon nog iets toeleggen als jullie gezond terugkomen.
En zo zijn zij het eens geworden.
Anna huilt om haar zoon
En hij zei tegen Tobias: Maak je klaar voor de reis, en het ga jullie goed.
Zijn zoon maakte klaar wat voor de reis nodig was, en zijn vader zei tegen hem: Ga met deze man mee.
God, die in de hemel woont, zal je weg voorspoedig maken, en de engel van God ga met jullie mee.
God, die in de hemel woont, zal je weg voorspoedig maken, en de engel van God ga met jullie mee.
Zij gingen er samen op uit, en de hond van de jongen ging met hen mee.
Anna, zijn moeder, huilde en zei tegen Tobit: Waarom hebt u ons kind weggestuurd?
Is hij niet de stok in onze hand, als hij voor ons uit en in gaat?
Anna, zijn moeder, huilde en zei tegen Tobit: Waarom hebt u ons kind weggestuurd?
Is hij niet de stok in onze hand, als hij voor ons uit en in gaat?
Was dat geld maar nooit ter sprake gekomen; had wat wij bij elkaar geschraapt hebben maar van onze zoon mogen zijn.
Want wat de Heere ons gegeven heeft om van te leven, is genoeg voor ons.
En Tobit zei tegen haar: Maak je geen zorgen, zuster.
Hij zal gezond terugkomen en je ogen zullen hem zien.
Hij zal gezond terugkomen en je ogen zullen hem zien.
Want een goede engel zal met hem meegaan, zijn reis zal voorspoedig zijn en hij zal gezond terugkomen.
En zij hield op met huilen.
En zij hield op met huilen.