Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Richteren 9

Abimelech

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 10 minuten
Abimelech wordt koning
Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder.
Hij sprak met hen en met de hele familie van zijn grootvader van moederskant.
Hij zei:
Vraag de burgers van Sichem toch: Wat is beter voor jullie?
Dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over jullie heersen, of dat één man over jullie heerst?
Denk eraan dat ik jullie eigen vlees en bloed ben.

De broers van zijn moeder zeiden al deze woorden over hem tegen de burgers van Sichem.
Hun hart ging uit naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broer.
Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit de tempel van Baäl-Berith.
Daarmee huurde Abimelech nietsnutten en avonturiers, die hem volgden.
Hij ging naar het huis van zijn vader in Ofra en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op één steen.
Maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl, bleef over, want hij had zich verstopt.
Toen kwamen alle burgers van Sichem en heel Beth-Millo bijeen.
Zij gingen naar de hoge eik bij Sichem en maakten Abimelech daar koning.
De fabel van Jotham
Toen Jotham dat hoorde, ging hij op de top van de berg Gerizim staan.
Hij riep met luide stem tegen hen: Luister naar mij, burgers van Sichem, dan zal God naar jullie luisteren.
Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven.
Zij zeiden tegen de olijfboom: Wees jij koning over ons.

Maar de olijfboom zei tegen hen: Zou ik mijn olie opgeven, waarmee men God en mensen eert?
Zou ik gaan zweven boven de bomen?

Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Kom jij, wees koning over ons.
Maar de vijgenboom zei tegen hen: Zou ik mijn zoetheid en mijn goede vrucht opgeven?
Zou ik gaan zweven boven de bomen?

Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Kom jij, wees koning over ons.
Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn wijn opgeven, die God en mensen blij maakt?
Zou ik gaan zweven boven de bomen?

Toen zeiden alle bomen tegen de doornstruik: Kom jij, wees koning over ons.
De doornstruik zei tegen de bomen: Als jullie mij echt tot koning over jullie willen zalven, kom dan schuilen in mijn schaduw.
Maar zo niet, laat er dan vuur uit de doornstruik komen dat de ceders van de Libanon verteert.

Hebben jullie nu eerlijk en oprecht gehandeld door Abimelech koning te maken?
Hebben jullie Jerubbaäl en zijn familie goed behandeld?
Hebben jullie hem gegeven wat zijn daden verdienden?

Want mijn vader heeft voor jullie gestreden en zijn leven gewaagd.
Hij heeft jullie gered uit de macht van Midian.

Maar jullie zijn vandaag tegen de familie van mijn vader in opstand gekomen.
Jullie hebben zijn zonen, zeventig mannen, op één steen gedood.
Jullie hebben Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij jullie broer is.

Als jullie vandaag eerlijk en oprecht gehandeld hebben tegenover Jerubbaäl en zijn familie, wees dan blij met Abimelech, en laat hij blij zijn met jullie.
Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan van Abimelech dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert.
En laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert!

Toen vluchtte Jotham weg.
Hij ging naar Beër en bleef daar wonen, uit angst voor zijn broer Abimelech.
Sichem keert zich tegen Abimelech
Abimelech heerste drie jaar over Israël.
Toen stuurde God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem, en de burgers van Sichem werden Abimelech ontrouw.
Zo werd het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaäl gewroken.
Hun bloed kwam op Abimelech, hun broer, die hen gedood had.
Het kwam ook op de burgers van Sichem, die hem geholpen hadden zijn broers te doden.
De burgers van Sichem legden op de bergtoppen hinderlagen tegen hem.
Zij beroofden iedereen die daar langs de weg kwam.
Dat werd aan Abimelech gemeld.
Gaäl, de zoon van Ebed, kwam met zijn broers naar Sichem.
De burgers van Sichem stelden hun vertrouwen op hem.
Zij gingen het veld in, oogstten hun wijngaarden en persten de druiven.
Zij hielden feest en gingen de tempel van hun god binnen.
Daar aten en dronken zij en vervloekten Abimelech.
Gaäl, de zoon van Ebed, zei: Wie is Abimelech, en wie is Sichem, dat wij hem zouden dienen?
Is hij niet de zoon van Jerubbaäl, en Zebul zijn opzichter?
Dien liever de mannen van Hemor, de vader van Sichem!
Waarom zouden wij hem dienen?

Had ik dit volk maar onder mijn bevel!
Dan zou ik Abimelech wel verdrijven.

En hij riep Abimelech toe: Maak je leger groot en trek uit!
Toen Zebul, de bestuurder van de stad, hoorde wat Gaäl, de zoon van Ebed, zei, werd hij woedend.
In het geheim stuurde hij boden naar Abimelech met de boodschap: Kijk, Gaäl, de zoon van Ebed, is met zijn broers naar Sichem gekomen.
Zij zetten de stad tegen u op.

Maak u daarom vannacht klaar, u en het volk dat bij u is.
Leg een hinderlaag in het veld.

Sta morgenochtend bij zonsopgang vroeg op en val de stad aan.
Als hij met zijn volk tegen u uittrekt, doe dan met hem wat nodig is.

Abimelech maakte zich die nacht klaar met al het volk dat bij hem was.
Zij legden in vier groepen een hinderlaag bij Sichem.
Gaäl, de zoon van Ebed, ging naar buiten en ging bij de ingang van de stadspoort staan.
Toen kwamen Abimelech en al het volk dat bij hem was, uit de hinderlaag tevoorschijn.
Gaäl zag het volk en zei tegen Zebul: Kijk, daar komt volk van de bergtoppen naar beneden.
Maar Zebul zei tegen hem: Je ziet de schaduwen van de bergen voor mensen aan.
Gaäl zei opnieuw: Kijk, daar komt volk naar beneden van het midden van het land.
Een andere groep komt over de weg van de eik Meonenim.

Toen zei Zebul tegen hem: Waar is nu je grote mond?
Je zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen?
Is dit niet het volk dat je veracht hebt?
Trek dan nu uit en strijd tegen hem!

Gaäl trok aan het hoofd van de burgers van Sichem uit en streed tegen Abimelech.
Abimelech achtervolgde hem, en hij vluchtte voor hem.
Veel mensen vielen gewond neer, tot aan de ingang van de stadspoort.
Abimelech bleef in Aruma, en Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, zodat zij niet meer in Sichem konden wonen.
Het einde van Abimelech
De volgende dag trok het volk het veld in, en dat werd aan Abimelech gemeld.
Hij nam het volk, verdeelde het in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld.
Toen hij zag dat het volk de stad uit kwam, viel hij hen aan en versloeg hen.
Abimelech en de groep die bij hem was, stormden naar voren en bezetten de ingang van de stadspoort.
De twee andere groepen vielen iedereen in het veld aan en versloegen hen.
Abimelech streed die hele dag tegen de stad.
Hij nam haar in en doodde het volk dat erin was.
Hij verwoestte de stad en bestrooide haar met zout.
Toen alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, gingen zij de burcht van de tempel van El-Berith in.
Abimelech hoorde dat alle burgers van de toren van Sichem daar bijeen waren.
Toen ging Abimelech met al zijn volk de berg Zalmon op.
Abimelech pakte een bijl, hakte een tak van een boom en legde die op zijn schouder.
Hij zei tegen het volk dat bij hem was: Wat jullie mij hebben zien doen, doe dat snel na.
Ook al het volk hakte ieder een tak af.
Zij volgden Abimelech en legden de takken tegen de burcht.
Daarmee staken zij de burcht in brand.
Zo kwamen ook alle mensen van de toren van Sichem om, ongeveer duizend mannen en vrouwen.
Daarna trok Abimelech naar Tebez.
Hij belegerde Tebez en nam de stad in.
Maar midden in de stad stond een sterke toren.
Alle mannen en vrouwen, alle burgers van de stad, vluchtten daarheen.
Zij sloten zich op en klommen op het dak van de toren.
Abimelech kwam bij de toren en viel die aan.
Hij kwam tot aan de ingang van de toren om die in brand te steken.
Maar een vrouw gooide een bovenste molensteen op het hoofd van Abimelech en verbrijzelde zijn schedel.
Snel riep hij de jongen die zijn wapens droeg.
Hij zei tegen hem: Trek je zwaard en dood mij, zodat men niet van mij zegt: Een vrouw heeft hem gedood.
Zijn wapendrager doorstak hem, en hij stierf.
Toen de mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was, gingen zij ieder naar huis.
Zo vergold God Abimelech het kwaad dat hij zijn vader had aangedaan door zijn zeventig broers te doden.
Ook al het kwaad van de mannen van Sichem liet God op hun eigen hoofd neerkomen.
Zo trof hen de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl.

Download hoofdstuk als tekstbestand