Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Richteren 8
Gideon achtervolgt de koningen van Midian
Efraïm is boos
De mannen van Efraïm zeiden tegen hem: Waarom heb je ons dit aangedaan?
Waarom heb je ons niet geroepen toen je ten strijde trok tegen de Midianieten?
Zij maakten heftig ruzie met hem.
Waarom heb je ons niet geroepen toen je ten strijde trok tegen de Midianieten?
Zij maakten heftig ruzie met hem.
Maar hij zei tegen hen: Wat heb ik nu gedaan in vergelijking met jullie?
Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de hele wijnoogst van Abiëzer?
Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de hele wijnoogst van Abiëzer?
God heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in jullie macht gegeven.
Wat heb ik kunnen doen in vergelijking met jullie?
Toen hij dat zei, zakte hun woede.
Wat heb ik kunnen doen in vergelijking met jullie?
Toen hij dat zei, zakte hun woede.
Sukkoth en Pnuël weigeren hulp
Gideon kwam bij de Jordaan en stak over met de 300 mannen die bij hem waren.
Zij waren uitgeput, maar bleven de vijand achtervolgen.
Zij waren uitgeput, maar bleven de vijand achtervolgen.
Hij zei tegen de mannen van Sukkoth: Geef toch wat broden aan het volk dat mij volgt, want zij zijn uitgeput.
Ik achtervolg Zebah en Tsalmuna, de koningen van Midian.
Ik achtervolg Zebah en Tsalmuna, de koningen van Midian.
Maar de leiders van Sukkoth zeiden: Heb je Zebah en Tsalmuna soms al in handen, dat wij je leger brood zouden geven?
Gideon zei: Goed dan!
Als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn macht geeft, zal ik jullie vlees dorsen met doornen en distels uit de woestijn.
Als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn macht geeft, zal ik jullie vlees dorsen met doornen en distels uit de woestijn.
Van daar trok hij naar Pnuël en vroeg hun hetzelfde.
Maar de mannen van Pnuël gaven hem hetzelfde antwoord als de mannen van Sukkoth.
Maar de mannen van Pnuël gaven hem hetzelfde antwoord als de mannen van Sukkoth.
Toen zei hij ook tegen de mannen van Pnuël: Als ik behouden terugkom, zal ik deze toren afbreken.
Zebah en Tsalmuna gevangen
Zebah en Tsalmuna waren in Karkor met hun legers, ongeveer 15.000 man.
Dat was alles wat over was van het hele leger van de volken uit het oosten.
Er waren 120.000 gewapende mannen gesneuveld.
Dat was alles wat over was van het hele leger van de volken uit het oosten.
Er waren 120.000 gewapende mannen gesneuveld.
Gideon trok de weg op van de tentbewoners, ten oosten van Nobah en Jogbeha.
Hij versloeg het leger, dat zich veilig voelde.
Hij versloeg het leger, dat zich veilig voelde.
Zebah en Tsalmuna vluchtten, maar hij achtervolgde hen.
Hij nam de twee koningen van Midian, Zebah en Tsalmuna, gevangen en joeg het hele leger schrik aan.
Hij nam de twee koningen van Midian, Zebah en Tsalmuna, gevangen en joeg het hele leger schrik aan.
Toen Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam, voordat de zon opkwam,
nam hij een jongen uit Sukkoth gevangen en ondervroeg hem.
De jongen schreef voor hem de namen op van de leiders en oudsten van Sukkoth, 77 mannen.
De jongen schreef voor hem de namen op van de leiders en oudsten van Sukkoth, 77 mannen.
Toen kwam hij bij de mannen van Sukkoth en zei: Hier zijn Zebah en Tsalmuna.
Over hen hebben jullie mij bespot.
Jullie zeiden: Heb je Zebah en Tsalmuna soms al in handen, dat wij je uitgeputte mannen brood zouden geven?
Over hen hebben jullie mij bespot.
Jullie zeiden: Heb je Zebah en Tsalmuna soms al in handen, dat wij je uitgeputte mannen brood zouden geven?
Hij nam de oudsten van die stad, en doorns en distels uit de woestijn.
Daarmee leerde hij de mannen van Sukkoth een lesje.
Daarmee leerde hij de mannen van Sukkoth een lesje.
Hij brak de toren van Pnuël af en doodde de mannen van de stad.
Toen vroeg hij Zebah en Tsalmuna: Hoe zagen de mannen eruit die jullie bij de Tabor gedood hebben?
Zij zeiden: Zij waren net als jij.
Ieder van hen zag eruit als een koningszoon.
Zij zeiden: Zij waren net als jij.
Ieder van hen zag eruit als een koningszoon.
Hij zei: Het waren mijn broers, de zonen van mijn moeder.
Zo waar de HEERE leeft: als jullie hen in leven hadden gelaten, zou ik jullie niet doden!
Zo waar de HEERE leeft: als jullie hen in leven hadden gelaten, zou ik jullie niet doden!
Hij zei tegen Jether, zijn oudste zoon: Sta op en dood hen.
Maar de jongen trok zijn zwaard niet, want hij was bang, omdat hij nog jong was.
Maar de jongen trok zijn zwaard niet, want hij was bang, omdat hij nog jong was.
Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta zelf op en val ons aan.
Want zoals de man is, zo is zijn kracht.
Gideon stond op en doodde Zebah en Tsalmuna.
Hij nam de maanvormige sieraden die aan de halzen van hun kamelen hingen.
Want zoals de man is, zo is zijn kracht.
Gideon stond op en doodde Zebah en Tsalmuna.
Hij nam de maanvormige sieraden die aan de halzen van hun kamelen hingen.
Gideon wil geen koning zijn
De mannen van Israël zeiden tegen Gideon: Wees onze heerser, u, uw zoon en uw kleinzoon.
Want u hebt ons uit de macht van Midian gered.
Want u hebt ons uit de macht van Midian gered.
Maar Gideon zei tegen hen: Ik zal niet over jullie heersen, en ook mijn zoon zal niet over jullie heersen.
De HEERE zal over jullie heersen.
De HEERE zal over jullie heersen.
Gideon zei verder tegen hen: Ik wil jullie om één ding vragen.
Geef mij ieder een ring uit jullie buit.
De vijanden hadden namelijk gouden ringen gedragen, want het waren Ismaëlieten.
Geef mij ieder een ring uit jullie buit.
De vijanden hadden namelijk gouden ringen gedragen, want het waren Ismaëlieten.
Zij zeiden: Die geven wij graag.
Zij spreidden een mantel uit, en ieder gooide er een ring uit zijn buit op.
Zij spreidden een mantel uit, en ieder gooide er een ring uit zijn buit op.
Het goud van de ringen waar hij om gevraagd had, woog ongeveer 19 kilo.
Daarbij kwamen nog de maanvormige sieraden, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian, en de kettingen van hun kamelen.
Daarbij kwamen nog de maanvormige sieraden, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian, en de kettingen van hun kamelen.
Gideon maakte er een efod van en zette die in zijn stad Ofra neer.
Heel Israël liep er daar ontrouw achteraan.
Zo werd hij een valstrik voor Gideon en zijn familie.
Heel Israël liep er daar ontrouw achteraan.
Zo werd hij een valstrik voor Gideon en zijn familie.
Zo werd Midian aan de Israëlieten onderworpen, en het hief zijn hoofd niet meer op.
Het land had veertig jaar rust, zolang Gideon leefde.
Het land had veertig jaar rust, zolang Gideon leefde.
De dood van Gideon
Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging terug naar zijn huis en woonde daar.
Gideon had zeventig zonen, zijn eigen nakomelingen, want hij had veel vrouwen.
Zijn bijvrouw in Sichem baarde hem ook een zoon, en hij noemde hem Abimelech.
Gideon, de zoon van Joas, stierf op hoge leeftijd.
Hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas in Ofra van de Abiëzrieten.
Hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas in Ofra van de Abiëzrieten.
Na de dood van Gideon keerden de Israëlieten zich opnieuw af.
Zij liepen ontrouw achter de Baäls aan en maakten Baäl-Berith tot hun god.
Zij liepen ontrouw achter de Baäls aan en maakten Baäl-Berith tot hun god.
De Israëlieten dachten niet meer aan de HEERE, hun God, die hen gered had uit de macht van al hun vijanden rondom.
Ook toonden zij geen dankbaarheid tegenover de familie van Jerubbaäl, dat is Gideon, voor al het goede dat hij voor Israël gedaan had.