Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Richteren 1

De stammen strijden om het land

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Juda en Simeon
Na de dood van Jozua vroegen de Israëlieten de HEERE: Wie van ons moet als eerste optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden?
De HEERE antwoordde: Juda moet optrekken.
Kijk, ik geef het land in zijn macht.

Juda zei tegen zijn broer Simeon: Trek met mij op in het gebied dat mij is toegewezen, en laten wij samen tegen de Kanaänieten strijden.
Dan trek ik ook met jou op in jouw gebied.

Toen trok Simeon met hem mee.
Juda trok op, en de HEERE gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in hun macht.
Zij versloegen bij Bezek 10.000 man.
In Bezek troffen zij Adoni-Bezek aan.
Zij streden tegen hem en versloegen de Kanaänieten en de Ferezieten.
Adoni-Bezek vluchtte, maar zij achtervolgden hem en grepen hem.
Zij hakten zijn duimen en zijn grote tenen af.
Adoni-Bezek zei: Zeventig koningen met afgehakte duimen en grote tenen raapten kruimels op onder mijn tafel.
Wat ik gedaan heb, heeft God mij nu vergolden.

Zij brachten hem naar Jeruzalem, en daar stierf hij.
De nakomelingen van Juda hadden Jeruzalem aangevallen en ingenomen.
Zij hadden de inwoners met het zwaard gedood en de stad in brand gestoken.
Daarna trokken de nakomelingen van Juda naar beneden om te strijden tegen de Kanaänieten in het bergland, in het zuiden en in het laagland.
Juda trok ook op tegen de Kanaänieten in Hebron, dat vroeger Kirjath-Arba heette.
Zij versloegen Sesai, Ahiman en Talmai.
Van daar trok hij op tegen de inwoners van Debir, dat vroeger Kirjath-Sefer heette.
Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Achsa als vrouw.
Othniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam de stad in.
Kaleb gaf hem zijn dochter Achsa als vrouw.
Toen zij bij hem kwam, haalde zij hem over om haar vader om een stuk land te vragen.
Zij liet zich van haar ezel glijden, en Kaleb vroeg haar: Wat is er?
Zij zei tegen hem: Geef mij een zegen.
U hebt mij droog land in het zuiden gegeven, geef mij nu ook waterbronnen.

Toen gaf Kaleb haar de bovenste en de onderste bronnen.
De nakomelingen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken met de nakomelingen van Juda op uit de Palmstad.
Zij gingen naar de woestijn van Juda, ten zuiden van Arad.
Daar gingen zij tussen het volk wonen.
Juda trok met zijn broer Simeon op.
Zij versloegen de Kanaänieten die in Zefath woonden en sloegen de stad met de ban.
Daarom kreeg de stad de naam Horma.
Juda nam ook Gaza, Askelon en Ekron in, met hun gebied.
De HEERE was met Juda, zodat het de bewoners van het bergland verdreef.
Maar de bewoners van de vlakte kon het niet verdrijven, want zij hadden ijzeren wagens.
Zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gezegd had.
Hij verdreef daar de drie zonen van Enak.
Maar de nakomelingen van Benjamin verdreven de Jebusieten niet, die in Jeruzalem woonden.
De Jebusieten wonen tot vandaag samen met de nakomelingen van Benjamin in Jeruzalem.
Het huis van Jozef neemt Bethel in
Ook het huis van Jozef trok op, tegen Bethel, en de HEERE was met hen.
Het huis van Jozef liet Bethel verkennen.
Vroeger heette die stad Luz.
De verkenners zagen een man uit de stad komen.
Zij zeiden tegen hem: Wijs ons toch de weg de stad in, dan zullen wij goed voor je zijn.
Hij wees hun de weg de stad in.
Zij doodden de inwoners van de stad met het zwaard, maar lieten die man met zijn hele familie gaan.
De man trok naar het land van de Hethieten.
Daar bouwde hij een stad en noemde die Luz.
Zo heet die stad nog steeds.
Wat de stammen niet verdreven
Manasse verdreef de inwoners niet van Beth-Sean, Taänach, Dor, Jibleam en Megiddo, en ook niet van de plaatsen eromheen.
De Kanaänieten wilden in dat land blijven wonen.
Toen Israël sterker werd, legde het de Kanaänieten dwangarbeid op.
Maar het verdreef hen niet helemaal.
Ook Efraïm verdreef de Kanaänieten die in Gezer woonden niet.
De Kanaänieten bleven in Gezer tussen hen wonen.
Zebulon verdreef de inwoners van Kitron en Nahalol niet.
De Kanaänieten bleven tussen hen wonen, maar moesten dwangarbeid doen.
Aser verdreef de inwoners niet van Akko, Sidon, Achlab, Achzib, Chelba, Afik en Rechob.
De Aserieten gingen tussen de Kanaänieten wonen die in het land woonden, want zij verdreven hen niet.
Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath niet.
Het ging tussen de Kanaänieten wonen die in het land woonden.
Maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath moesten dwangarbeid doen.
De Amorieten drongen de nakomelingen van Dan terug in het bergland.
Zij lieten hen niet naar de vlakte afdalen.
De Amorieten wilden blijven wonen in het gebergte Heres, in Ajalon en in Saalbim.
Maar het huis van Jozef kreeg de overhand, en zij moesten dwangarbeid doen.
Het gebied van de Amorieten liep van de helling van Akrabbim, van de rots, en verder omhoog.

Download hoofdstuk als tekstbestand