Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jozua 24

Het verbond in Sichem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Wat de HEERE gedaan heeft
Daarna riep Jozua alle stammen van Israël bijeen in Sichem.
Hij riep de oudsten van Israël, de hoofden, de rechters en de bestuurders, en zij stelden zich op voor God.
Jozua zei tegen het hele volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Lang geleden woonden jullie voorouders aan de overkant van de rivier.
Het ging om Terah, de vader van Abraham en Nahor.
Zij dienden andere goden.

Toen nam ik jullie voorvader Abraham van de overkant van de rivier.
Ik liet hem door heel het land Kanaän trekken.
Ik gaf hem veel nakomelingen en gaf hem Izak.

Aan Izak gaf ik Jakob en Ezau.
Aan Ezau gaf ik het gebergte Seïr als bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte.

Toen stuurde ik Mozes en Aäron.
Ik trof Egypte met plagen, zoals ik daar gedaan heb, en daarna leidde ik jullie weg.

Ik leidde jullie voorouders uit Egypte, en jullie kwamen bij de zee.
De Egyptenaren achtervolgden jullie voorouders met wagens en ruiters tot aan de Schelfzee.

Zij riepen tot de HEERE, en Hij legde duisternis tussen jullie en de Egyptenaren.
Hij liet de zee over hen heen komen, en die bedekte hen.
Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik in Egypte gedaan heb.
Daarna hebben jullie lange tijd in de woestijn gewoond.

Toen bracht ik jullie in het land van de Amorieten, die aan de overkant van de Jordaan woonden.
Zij streden tegen jullie, maar ik gaf hen in jullie macht.
Jullie namen hun land in bezit, en ik roeide hen voor jullie uit.

Toen maakte Balak zich klaar, de zoon van Zippor, de koning van Moab, en streed tegen Israël.
Hij liet Bileam, de zoon van Beor, halen om jullie te vervloeken.

Maar ik wilde niet naar Bileam luisteren.
Daarom zegende hij jullie steeds opnieuw, en ik redde jullie uit zijn macht.

Toen jullie de Jordaan overgestoken waren en bij Jericho kwamen, vielen de burgers van Jericho jullie aan.
Ook de Amorieten, Ferezieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Hevieten en Jebusieten streden tegen jullie.
Maar ik gaf hen in jullie macht.

Ik stuurde horzels voor jullie uit, die hen voor jullie verdreven, zoals de twee koningen van de Amorieten.
Dat gebeurde niet door jullie zwaard of jullie boog.

Zo gaf ik jullie een land waarvoor jullie niet gewerkt hebben, en steden die jullie niet gebouwd hebben.
Jullie wonen erin, en jullie eten van wijngaarden en olijfbomen die jullie niet geplant hebben.

Kies wie jullie willen dienen
Vrees daarom nu de HEERE en dien Hem oprecht en trouw.
Doe de goden weg die jullie voorouders aan de overkant van de rivier en in Egypte gediend hebben.
Dien de HEERE.

Maar als jullie het niet goed vinden de HEERE te dienen, kies dan vandaag wie jullie willen dienen.
Kies de goden die jullie voorouders aan de overkant van de rivier dienden, of de goden van de Amorieten in wier land jullie wonen.
Maar ik en mijn gezin, wij zullen de HEERE dienen!

Het volk antwoordde: Het zij verre van ons dat wij de HEERE zouden verlaten om andere goden te dienen.
Want de HEERE is onze God.
Hij heeft ons en onze voorouders uit het land Egypte, uit het slavenhuis, weggeleid.
Hij heeft voor onze ogen die grote tekenen gedaan.
Hij heeft ons beschermd op heel de weg die wij gingen en onder alle volken waar wij doorheen trokken.

De HEERE heeft al die volken voor ons uit verdreven, ook de Amorieten die in het land woonden.
Ook wij zullen de HEERE dienen, want Hij is onze God.

Jozua zei tegen het volk: Jullie zullen de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God.
Hij is een jaloers God.
Hij zal jullie overtredingen en zonden niet vergeven.

Als jullie de HEERE verlaten en vreemde goden dienen, zal Hij zich tegen jullie keren.
Hij zal jullie kwaad doen en jullie vernietigen, nadat Hij jullie eerst goed gedaan heeft.

Maar het volk zei tegen Jozua: Nee, wij zullen de HEERE dienen.
Jozua zei tegen het volk: Jullie zijn getuigen tegen jezelf dat jullie de HEERE gekozen hebben om Hem te dienen.
Zij zeiden: Wij zijn getuigen.
Doe dan nu de vreemde goden weg die bij jullie zijn, en keer je hart naar de HEERE, de God van Israël.
Het volk zei tegen Jozua: Wij zullen de HEERE, onze God, dienen en naar Hem luisteren.
Het verbond gesloten
Zo sloot Jozua die dag een verbond met het volk.
Hij gaf hun in Sichem een voorschrift en een regel.
Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God.
Hij nam een grote steen en richtte die daar op onder de eik bij het heiligdom van de HEERE.
Jozua zei tegen het hele volk: Kijk, deze steen zal een getuige tegen ons zijn.
Want hij heeft alle woorden gehoord die de HEERE tegen ons gesproken heeft.
Hij zal een getuige tegen jullie zijn, zodat jullie je God niet verloochenen.

Toen liet Jozua het volk gaan, ieder naar zijn eigen erfdeel.
Jozua sterft
Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE.
Hij was 110 jaar oud.
Zij begroeven hem in zijn eigen erfdeel, in Timnath-Serah in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.
Israël diende de HEERE zolang Jozua leefde.
Ook zolang de oudsten leefden die Jozua overleefden, bleef Israël de HEERE dienen.
Zij kenden al het werk dat de HEERE voor Israël gedaan had.
De beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, begroeven zij in Sichem.
Dat was op het stuk land dat Jakob voor honderd zilverstukken had gekocht van de zonen van Hemor, de vader van Sichem.
Het was het erfdeel van de nakomelingen van Jozef geworden.
Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf.
Zij begroeven hem op de heuvel van zijn zoon Pinehas, die hem gegeven was in het bergland van Efraïm.

Download hoofdstuk als tekstbestand