Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Richteren 2

Israël dient de Baäls

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
De engel van de HEERE in Bochim
De engel van de HEERE ging van Gilgal naar Bochim en zei: Ik heb jullie uit Egypte geleid.
Ik heb jullie gebracht in het land dat ik jullie voorouders onder ede beloofd heb.
Ik heb gezegd: Ik zal mijn verbond met jullie nooit verbreken.

Maar jullie mochten geen verbond sluiten met de bewoners van dit land, en jullie moesten hun altaren afbreken.
Jullie hebben niet naar mij geluisterd.
Waarom hebben jullie dat gedaan?

Daarom heb ik ook gezegd: Ik zal hen niet voor jullie uit verdrijven.
Zij zullen jullie in de zij steken, en hun goden zullen voor jullie een valstrik zijn.

Toen de engel van de HEERE deze woorden tot alle Israëlieten gesproken had, begon het volk luid te huilen.
Daarom noemden zij die plaats Bochim.
Zij brachten daar offers aan de HEERE.
Een nieuwe generatie
Toen Jozua het volk had laten gaan, waren de Israëlieten ieder naar zijn erfdeel gegaan om het land in bezit te nemen.
Het volk diende de HEERE zolang Jozua leefde.
Ook zolang de oudsten leefden die Jozua overleefden, bleef het volk de HEERE dienen.
Zij hadden al de grote daden gezien die de HEERE voor Israël gedaan had.
Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE, stierf.
Hij was 110 jaar oud.
Zij begroeven hem in zijn eigen erfdeel, in Timnath-Heres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.
Ook die hele generatie ging naar haar voorouders.
Er kwam een nieuwe generatie na hen, die de HEERE niet kende en ook niet wist wat Hij voor Israël gedaan had.
Afval, straf en redding
Toen deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls.
Zij verlieten de HEERE, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid.
Zij volgden andere goden, goden van de volken om hen heen, en bogen zich voor hen neer.
Zo maakten zij de HEERE kwaad.
Zij verlieten de HEERE en dienden Baäl en de Astartes.
Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.
Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen beroofden.
Hij leverde hen uit aan hun vijanden rondom, zodat zij niet meer tegen hun vijanden stand konden houden.
Waar zij ook heen trokken, de hand van de HEERE was tegen hen, zoals de HEERE gezegd en gezworen had.
Zij kwamen in grote nood.
Toen liet de HEERE rechters opstaan.
Die redden hen uit de macht van hun plunderaars.
Maar ook naar hun rechters luisterden zij niet.
Zij waren ontrouw en liepen achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer.
Al snel weken zij af van de weg die hun voorouders gegaan waren, gehoorzaam aan de geboden van de HEERE.
Zij deden niet zoals hun voorouders.
Telkens als de HEERE rechters voor hen liet opstaan, was de HEERE met die rechter.
Hij redde hen uit de macht van hun vijanden zolang die rechter leefde.
Want de HEERE had medelijden met hen als zij kermden onder hun onderdrukkers en verdrukkers.
Maar als de rechter stierf, vervielen zij opnieuw en deden het nog erger dan hun voorouders.
Zij volgden andere goden, dienden die en bogen zich voor hen neer.
Zij hielden niet op met hun slechte daden en hun koppige levenswijze.
Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.
Hij zei: Dit volk heeft mijn verbond overtreden dat ik hun voorouders heb opgedragen, en heeft niet naar mij geluisterd.
Daarom zal ik niemand meer voor hen uit verdrijven van de volken die Jozua bij zijn dood heeft overgelaten.
Zo wil ik Israël door die volken op de proef stellen.
Ik wil zien of zij de weg van de HEERE willen gaan, zoals hun voorouders gedaan hebben, of niet.

Daarom liet de HEERE die volken blijven en verdreef Hij hen niet snel.
Hij had hen ook niet in de macht van Jozua gegeven.

Download hoofdstuk als tekstbestand