Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Nieuwe Testament

Openbaring 9

De vijfde en zesde bazuin

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Sprinkhanen uit de afgrond
De vijfde engel blies.
Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde gevallen was.
Hij kreeg de sleutel van de put van de afgrond.
Hij opende de put van de afgrond.
Er steeg rook op uit de put, als rook uit een grote oven.
De zon en de lucht werden donker door de rook uit de put.
Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde.
Zij kregen macht, zoals schorpioenen op de aarde macht hebben.
Er werd tegen hen gezegd dat zij het gras van de aarde geen schade mochten doen, en ook geen groen gewas of boom.
Zij mochten alleen de mensen treffen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden.
Zij kregen niet de macht om hen te doden, maar wel om hen vijf maanden te pijnigen.
Die pijn was als de pijn van een schorpioen die een mens steekt.
In die dagen zullen de mensen de dood zoeken en niet vinden.
Zij zullen willen sterven, en de dood zal voor hen vluchten.
De sprinkhanen leken op paarden die klaarstaan voor de oorlog.
Op hun koppen leken gouden kransen te staan en hun gezichten leken op gezichten van mensen.
Zij hadden haar als het haar van vrouwen en hun tanden waren als leeuwentanden.
Zij hadden borstplaten als ijzeren borstplaten.
Het geluid van hun vleugels klonk als wagens met veel paarden die naar de strijd rennen.
Zij hadden staarten als schorpioenen, met angels erin.
Met hun staarten konden zij de mensen vijf maanden schade doen.
Zij hadden een koning over zich: de engel van de afgrond.
In het Hebreeuws heet hij Abaddon en in het Grieks Apollyon.
Het eerste wee is voorbij.
Kijk, er komen nog twee weeën hierna.
De ruiters van de Eufraat
De zesde engel blies.
Toen hoorde ik een stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat.
Die zei tegen de zesde engel met de bazuin: Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier de Eufraat.
De vier engelen werden losgemaakt.
Zij stonden klaar voor dat uur, die dag, die maand en dat jaar, om een derde deel van de mensen te doden.
Het aantal ruiters in de legers was twintigduizend maal tienduizend.
Ik hoorde hun aantal.
Zo zag ik in het visioen de paarden en hun ruiters.
Zij hadden borstplaten van vuurrood, hemelsblauw en zwavelgeel.
De koppen van de paarden leken op leeuwenkoppen, en uit hun mond kwam vuur, rook en zwavel.
Door die drie plagen werd een derde deel van de mensen gedood: door het vuur, de rook en de zwavel uit hun mond.
De macht van de paarden zit namelijk in hun mond en in hun staarten.
Hun staarten lijken op slangen en hebben koppen, en daarmee doen zij schade.
De overige mensen, die niet door deze plagen gedood waren, bekeerden zich niet van het werk van hun handen.
Zij bleven boze geesten aanbidden en afgoden van goud, zilver, koper, steen en hout, die niet kunnen zien, horen of lopen.
Zij bekeerden zich ook niet van hun moorden, hun toverij, hun ontucht en hun diefstallen.

Download hoofdstuk als tekstbestand