Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 9

Het volk belijdt zijn zonden

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 8 minuten
Een dag van vasten
Op de vierentwintigste dag van die maand kwamen de Israëlieten bijeen.
Zij vastten, droegen rouwkleren en hadden aarde op hun hoofd.
De Israëlieten zonderden zich af van alle vreemdelingen.
Zij gingen staan en beleden hun eigen zonden en de zonden van hun voorouders.
Zij stonden op hun plaats en lazen een kwart van de dag uit het wetboek van de HEERE, hun God.
Een ander kwart van de dag beleden zij hun zonden en aanbaden zij de HEERE, hun God.
Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani gingen op de verhoging van de Levieten staan.
Zij riepen met luide stem tot de HEERE, hun God.
Van de schepping tot de woestijn
De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petahja zeiden: Sta op en prijs de HEERE, uw God, voor eeuwig.
Laat men uw heerlijke naam prijzen, die hoger is dan alle lof en eer.

U alleen bent de HEERE.
U hebt de hemel gemaakt, de hoogste hemel en alles wat daarin leeft.
U maakte de aarde en alles wat daarop is, de zeeën en alles wat daarin is.
U houdt dat alles in leven, en de hemelse legers aanbidden U.

U bent de HEERE, de God die Abram uitkoos.
U leidde hem weg uit Ur van de Chaldeeën en gaf hem de naam Abraham.

U vond zijn hart trouw voor U en sloot een verbond met hem.
U beloofde het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Jebusieten en de Girgasieten aan zijn nakomelingen te geven.
U hebt uw woord waargemaakt, want U bent rechtvaardig.

U hebt de ellende van onze voorouders in Egypte gezien.
U hebt hun roepen bij de Schelfzee gehoord.

U hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, aan al zijn dienaren en aan het hele volk van zijn land.
U wist namelijk dat zij trots met hen omgingen.
Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals het vandaag nog is.

U hebt de zee voor hen gespleten, zodat zij midden door de zee over droge grond gingen.
Hun achtervolgers wierp U in de diepte, als een steen in machtig water.

Overdag leidde U hen met een wolkkolom en 's nachts met een vuurkolom.
Zo verlichtte U de weg die zij moesten gaan.

U daalde neer op de berg Sinaï en sprak met hen vanuit de hemel.
U gaf hun rechtvaardige regels en betrouwbare wetten, goede voorschriften en geboden.

U maakte hun uw heilige sabbat bekend.
U gaf hun geboden, voorschriften en een wet, door uw dienaar Mozes.

U gaf hun brood uit de hemel voor hun honger en water uit de rots voor hun dorst.
U zei dat zij het land in bezit moesten gaan nemen dat U hun met een eed beloofd had.

Maar zij en onze voorouders waren trots.
Zij waren koppig en luisterden niet naar uw geboden.

Zij weigerden te luisteren en dachten niet aan de wonderen die U bij hen gedaan had.
Zij waren koppig en kozen in hun opstand een leider om terug te gaan naar hun slavernij.
Maar U bent een God die vergeeft, genadig en barmhartig, geduldig en groot van trouw.
U hebt hen toch niet verlaten.

Zij maakten zelfs een gegoten kalf en zeiden: Dit is uw God, die u uit Egypte geleid heeft.
Zo lasterden zij zwaar.

Toch hebt U hen door uw grote barmhartigheid niet in de woestijn losgelaten.
De wolkkolom week overdag niet van hen om hen te leiden, en de vuurkolom 's nachts niet om hun weg te verlichten.

U gaf uw goede Geest om hen te onderwijzen.
U hield uw manna niet bij hun mond weg en gaf hun water voor hun dorst.

Veertig jaar lang hebt U hen in de woestijn onderhouden.
Zij kwamen niets tekort.
Hun kleren sleten niet en hun voeten zwollen niet op.

Van het land tot de ballingschap
U gaf hun koninkrijken en volken en verdeelde die als grensgebieden onder hen.
Zo namen zij het land van Sihon in bezit, de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan.

U maakte hun kinderen zo talrijk als de sterren aan de hemel.
U bracht hen in het land dat U aan hun voorouders beloofd had.

De kinderen kwamen daarin en namen dat land in bezit.
U bracht de inwoners van het land, de Kanaänieten, voor hen ten onder.
U gaf hen in hun macht, met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen wat zij wilden.

Zij namen versterkte steden en vruchtbaar land in bezit.
Zij kregen huizen vol met goede dingen, uitgehakte putten, wijngaarden, olijfgaarden en veel vruchtbomen.
Zij aten, werden verzadigd en vet, en leefden in overvloed door uw grote goedheid.

Maar zij werden opstandig en kwamen tegen U in verzet.
Zij wierpen uw wet achter hun rug en doodden uw profeten, die hen waarschuwden om bij U terug te komen.
Zo lasterden zij zwaar.

Daarom gaf U hen over aan hun onderdrukkers, die het hun moeilijk maakten.
Maar als zij in hun nood tot U riepen, hoorde U hen uit de hemel.
In uw grote barmhartigheid gaf U hun redders, die hen uit de macht van hun onderdrukkers bevrijdden.

Zodra zij rust hadden, deden zij weer wat slecht was voor U.
Dan liet U hen los in de macht van hun vijanden, die over hen heersten.
Als zij zich dan bekeerden en U aanriepen, hoorde U hen uit de hemel.
Keer op keer hebt U hen in uw barmhartigheid gered.

U waarschuwde hen om terug te keren naar uw wet.
Maar zij waren trots en luisterden niet naar uw geboden.
Zij zondigden tegen uw regels, terwijl een mens die ze doet daardoor leeft.
Zij trokken hun schouder terug, waren koppig en wilden niet luisteren.

Vele jaren lang hebt U hen verdragen.
Door uw Geest waarschuwde U hen, door uw profeten, maar zij wilden niet luisteren.
Daarom gaf U hen over aan de volken van de landen.

Maar door uw grote barmhartigheid hebt U hen niet vernietigd en niet losgelaten, want U bent een genadig en barmhartig God.
Wij zijn vandaag slaven
Nu dan, onze God, grote, machtige en ontzagwekkende God, die zich aan het verbond en aan zijn trouw houdt.
Laat alle moeite die ons getroffen heeft toch niet gering zijn voor U.
Het trof onze koningen, onze leiders, onze priesters, onze profeten, onze voorouders en uw hele volk.
Dat duurt van de dagen van de koningen van Assur tot vandaag toe.

Maar U bent rechtvaardig in alles wat ons overkomen is.
U hebt trouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld.

Onze koningen, onze leiders, onze priesters en onze voorouders hebben uw wet niet gedaan.
Zij luisterden niet naar uw geboden en naar uw getuigenissen, waarmee U hen waarschuwde.

Zij hebben U niet gediend in hun eigen koninkrijk, met al het goede dat U hun gaf.
Zij deden het niet in dat wijde en vruchtbare land dat U hun gaf, en zij bekeerden zich niet van hun slechte daden.

Kijk, vandaag zijn wij slaven.
In het land dat U onze voorouders gegeven hebt om de vruchten en het goede ervan te eten, daar zijn wij slaven.

De opbrengst gaat naar de koningen die U vanwege onze zonden over ons hebt gesteld.
Zij heersen naar eigen goeddunken over ons lichaam en over ons vee.
Zo zitten wij in grote nood.

Om dit alles sluiten wij een vast verbond en schrijven dat op.
Onze leiders, onze Levieten en onze priesters verzegelen het.

Download hoofdstuk als tekstbestand