Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 10

Het verbond wordt ondertekend

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Wie het verbond ondertekenden
De verzegelaars waren: Nehemia, de landvoogd, de zoon van Hachalja, en Zidkia,
Seraja, Azarja, Jeremia,
Pashur, Amarja, Malchia,
Hattus, Sebanja, Malluch,
Harim, Meremoth, Obadja,
Daniël, Ginnethon, Baruch,
Mesullam, Abia, Mijamin,
Maäzia, Bilgai en Semaja.
Dit waren de priesters.
De Levieten waren: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï van de zonen van Henadad, en Kadmiël,
en hun broers Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
Micha, Rehob, Hasabja,
Zakkur, Serebja, Sebanja,
Hodia, Bani en Beninu.
De hoofden van het volk waren: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,
Bunni, Azgad, Bebai,
Adonia, Bigvai, Adin,
Ater, Hizkia, Azzur,
Hodia, Hasum, Bezai,
Harif, Anathoth, Nebai,
Magpias, Mesullam, Hezir,
Mesezabeël, Zadok, Jaddua,
Pelatja, Hanan, Anaja,
Hosea, Hananja, Hassub,
Hallohes, Pilha, Sobek,
Rehum, Hasabna, Maäseja,
Ahia, Hanan, Anan,
Malluch, Harim en Baäna.
Wat zij beloofden
De rest van het volk sloot zich daarbij aan: de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers en de tempelknechten.
Ook deed iedereen mee die zich van de volken van de landen had afgezonderd voor de wet van God.
Hun vrouwen, zonen en dochters deden mee, iedereen die het kon begrijpen.
Zij sloten zich aan bij hun broers, de vooraanstaanden, en gingen onder eed een verbintenis aan.
Zij zouden leven naar de wet van God, die door Mozes, de dienaar van God, gegeven is.
Ook zouden zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, en zijn regels en voorschriften houden en doen.
Wij zouden onze dochters niet aan de volken van het land geven en hun dochters niet voor onze zonen nemen.
Als de volken van het land op de sabbat waren of graan te koop brengen, kopen wij niets van hen.
Dat geldt voor de sabbat en voor elke heilige dag.
In het zevende jaar laten wij het land rusten en schelden wij elke schuld kwijt.
Verder legden wij onszelf de verplichting op om elk jaar ongeveer vier gram zilver te geven voor de dienst van het huis van onze God.
Dat is voor het toonbrood, het dagelijkse graanoffer en het dagelijkse brandoffer.
Het is ook voor de sabbatten, de nieuwemaansdagen, de feesten, de heilige gaven en de zondoffers om verzoening te doen over Israël.
Zo is het voor al het werk aan het huis van onze God.
Wij wierpen ook het lot onder de priesters, de Levieten en het volk over het brengen van het hout.
Dat moest per familie op vaste tijden bij het huis van onze God komen, jaar na jaar.
Het werd verbrand op het altaar van de HEERE, onze God, zoals in de wet staat.
Wij zouden ook jaar na jaar de eerste opbrengst van ons land naar het huis van de HEERE brengen.
Datzelfde deden wij met de eerste vruchten van alle bomen.
Ook zouden wij onze eerstgeboren zonen en de eerstgeboren dieren brengen, zoals in de wet staat.
De eerstgeboren runderen en schapen brengen wij naar het huis van onze God, naar de priesters die daar dienen.
De eerstelingen van ons deeg en onze hefoffers brengen wij naar de priesters, in de kamers van het huis van onze God.
Zo doen wij ook met de vrucht van alle bomen, de nieuwe wijn en de olie.
De tienden van ons land brengen wij naar de Levieten.
Zij innen die tienden in alle steden waar wij het land bewerken.
Een priester, een zoon van Aäron, zal bij de Levieten zijn als zij de tienden innen.
De Levieten brengen dan een tiende deel naar het huis van onze God, naar de kamers van het schathuis.
De Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar die kamers brengen.
Daar liggen namelijk de voorwerpen van het heiligdom, en daar zijn de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers.
Zo zullen wij het huis van onze God niet in de steek laten.

Download hoofdstuk als tekstbestand