Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 11

Wie in Jeruzalem gingen wonen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Eén op de tien naar de stad
De leiders van het volk woonden in Jeruzalem.
De rest van het volk wierp het lot.
Eén op de tien zou in de heilige stad Jeruzalem wonen, en negen van de tien in de andere steden.
Het volk zegende alle mannen die uit zichzelf aanboden in Jeruzalem te gaan wonen.
Dit zijn de hoofden van het gewest die in Jeruzalem woonden.
In de steden van Juda woonde ieder op zijn eigen bezit: Israëlieten, priesters, Levieten, tempelknechten en nakomelingen van de dienaren van Salomo.
In Jeruzalem woonden mensen uit Juda en uit Benjamin.
Van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja.
Die was een zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, uit de nakomelingen van Perez.
Ook woonde er Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kol-Hose, de zoon van Hazaja.
Die was een zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van Siloni.
Alle nakomelingen van Perez die in Jeruzalem woonden, waren 468 dappere mannen.
Dit zijn de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joëd, de zoon van Pedaja.
Die was een zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja.
Na hem kwamen Gabbai en Sallai: 928 man.
Joël, de zoon van Zichri, was hun opzichter.
Juda, de zoon van Senua, was de tweede man over de stad.
De priesters en Levieten in de stad
Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, en Jachin.
Seraja was de leider van het huis van God.
Hij was de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub.
Hun broers die het werk in het huis deden, waren met 822.
Verder Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi.
Die was een zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia.
Zijn broers, familiehoofden, waren met 242.
Verder Amassai, de zoon van Azareël, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemoth, de zoon van Immer.
Hun broers, dappere helden, waren met 128.
Hun opzichter was Zabdiël, de zoon van Gedolim.
Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Buni.
Sabbethai en Jozabad, hoofden van de Levieten, gingen over het werk buiten het huis van God.
Matthanja was het hoofd dat de dankzegging in het gebed begon.
Hij was de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf.
Bakbukja was de tweede onder zijn broers, en verder Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun.
Alle Levieten in de heilige stad waren met 284.
De poortwachters Akkub en Talmon en hun broers, die de poorten bewaakten, waren met 172.
De rest van Israël, met de priesters en de Levieten, woonde in alle steden van Juda, ieder op zijn erfdeel.
De tempelknechten woonden op de Ofel.
Ziha en Gispa gingen over hen.
De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja.
Die was een zoon van Matthanja, de zoon van Micha.
De zangers uit de nakomelingen van Asaf zorgden voor het werk in het huis van God.
Er was namelijk een bevel van de koning over hen.
De zangers kregen elke dag hun vaste deel.
Petahja, de zoon van Mesezabeël, uit de nakomelingen van Zerah, de zoon van Juda, stond de koning terzijde in alles wat het volk betrof.
De dorpen van Juda en Benjamin
Sommige mensen uit Juda woonden in de dorpen bij hun akkers.
Zij woonden in Kirjath-Arba en de plaatsen eromheen, in Dibon en de plaatsen eromheen, en in Jekabzeël en zijn dorpen.
Ook woonden zij in Jesua, Molada en Beth-Pelet,
in Hazar-Sual, in Berseba en de plaatsen eromheen,
in Ziklag, in Mechona en de plaatsen eromheen,
in En-Rimmon, Zora en Jarmuth,
in Zanoah, Adullam en zijn dorpen, in Lachis met zijn akkers en in Azeka met de plaatsen eromheen.
Zij woonden dus van Berseba tot aan het dal Hinnom.
De nakomelingen van Benjamin uit Geba woonden in Michmas, Aja, Bethel en de plaatsen eromheen,
in Anathoth, Nob en Ananja,
in Hazor, Rama en Gitthaïm,
in Hadid, Zeboïm en Neballat,
en in Lod en Ono, in het dal van de vaklieden.
Van de Levieten woonden sommige groepen uit Juda bij Benjamin.

Download hoofdstuk als tekstbestand