Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 12

De inwijding van de muur

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
De priesters en Levieten van het eerste uur
Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en met Jesua optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra,
Amarja, Malluch, Hattus,
Sechanja, Rehum, Meremoth,
Iddo, Ginnethoi, Abia,
Mijamin, Maädja, Bilga,
Semaja, Jojarib, Jedaja,
Sallu, Amok, Hilkia en Jedaja.
Dat waren de hoofden van de priesters en hun broers in de tijd van Jesua.
De Levieten waren Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda en Matthanja.
Die laatste ging met zijn broers over de dankliederen.
Bakbukja en Unni, hun broers, stonden tegenover hen bij de diensten.
Jesua kreeg Jojakim, Jojakim kreeg Eljasib, en Eljasib kreeg Jojada.
Jojada kreeg Jonathan, en Jonathan kreeg Jaddua.
De familiehoofden onder Jojakim
In de tijd van Jojakim waren dit de priesters, de familiehoofden.
Van Seraja was dat Meraja, van Jeremia Hananja,
van Ezra Mesullam, van Amarja Johanan,
van Melichu Jonathan, van Sebanja Jozef,
van Harim Adna, van Merajoth Helkai,
van Iddo Zacharia, van Ginnethon Mesullam,
van Abia Zichri, en van Minjamin en Moadja Piltai,
van Bilga Sammua, van Semaja Jonathan,
van Jojarib Matthenai, van Jedaja Uzzi,
van Sallai Kallai, van Amok Heber,
van Hilkia Hasabja en van Jedaja Nethaneël.
In de tijd van Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua werden de familiehoofden van de Levieten opgeschreven.
Ook de priesters werden opgeschreven, tot de regering van Darius de Pers.
De familiehoofden van de Levieten staan beschreven in het boek van de kronieken, tot de tijd van Johanan, de zoon van Eljasib.
De hoofden van de Levieten waren Hasabja, Serebja en Jesua, de zoon van Kadmiël.
Hun broers stonden tegenover hen om te prijzen en te danken, groep tegenover groep, zoals David, de man van God, het bevolen had.
Matthanja, Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren poortwachters.
Zij hielden de wacht bij de voorraadkamers van de poorten.
Zij deden dienst in de tijd van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak.
Ook deden zij dat in de tijd van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra, de schriftgeleerde.
De optocht over de muur
Voor de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen op.
Zij brachten hen naar Jeruzalem om de inwijding met vreugde te vieren, met dankliederen en gezang, met cimbalen, luiten en harpen.
De zangers kwamen bijeen uit de vlakte rond Jeruzalem en uit de dorpen van de Netofathieten.
Zij kwamen ook uit Beth-Gilgal en uit de velden van Geba en Asmaveth.
De zangers hadden namelijk dorpen voor zichzelf gebouwd rond Jeruzalem.
De priesters en de Levieten reinigden zichzelf.
Daarna reinigden zij het volk, de poorten en de muur.
Toen liet ik de leiders van Juda de muur op gaan.
Ik stelde twee grote dankkoren op die in optocht liepen.
Het ene ging rechts over de muur, naar de Mestpoort toe.
Achter hen liepen Hosaja en de helft van de leiders van Juda.
Ook liepen Azarja, Ezra en Mesullam mee,
met Juda, Benjamin, Semaja en Jeremia.
Van de zonen van de priesters liepen er mee met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja.
Die was een zoon van Matthanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf.
Zijn broers Semaja, Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël, Juda en Hanani liepen mee.
Zij hadden de muziekinstrumenten van David, de man van God, bij zich.
Ezra, de schriftgeleerde, liep voor hen uit.
Bij de Bronpoort gingen zij recht vooruit omhoog langs de trappen van de Stad van David.
Zij liepen over de opgang van de muur, langs het huis van David, tot aan de Waterpoort in het oosten.
Het tweede dankkoor liep de andere kant op, en ik liep erachter met de helft van het volk.
Wij gingen over de muur, langs de Bakoventoren tot aan de brede muur.
Daarna liepen wij langs de Efraïmpoort, de Oude Poort en de Vispoort, langs de toren Hananeël en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort.
Bij de Wachtpoort bleven zij staan.
Daarna stonden de beide dankkoren in het huis van God, en ik ook, met de helft van de bestuurders.
De priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja en Hananja stonden er met trompetten.
Verder stonden er Maäseja, Semaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malchia, Elam en Ezer.
De zangers lieten zich horen, met Jizrahja als leider.
Die dag brachten zij grote offers en waren zij blij, want God had hun grote blijdschap gegeven.
Ook de vrouwen en de kinderen waren blij.
De vreugde van Jeruzalem was tot in de verte te horen.
De zorg voor de tempeldienst
Diezelfde dag stelden zij mannen aan over de kamers voor de schatten, de hefoffers, de eerstelingen en de tienden.
Zij moesten daarin uit de akkers bij de steden verzamelen wat de wet aan de priesters en de Levieten toewees.
Juda was namelijk blij met de priesters en de Levieten die daar hun dienst deden.
Zij deden de dienst van hun God en de dienst van de reiniging.
Dat gold ook voor de zangers en de poortwachters, zoals David en zijn zoon Salomo het bevolen hadden.
Al in de tijd van David en Asaf waren er namelijk leiders van de zangers en van de lof- en dankliederen voor God.
Daarom gaf heel Israël in de tijd van Zerubbabel en van Nehemia elke dag de vaste delen voor de zangers en de poortwachters.
Zij gaven ook gewijde gaven voor de Levieten, en de Levieten gaven die aan de nakomelingen van Aäron.

Download hoofdstuk als tekstbestand