Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 13

Nehemia grijpt in

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Tobia wordt uit de tempel gezet
Op die dag las men uit het boek van Mozes voor aan het volk.
Daarin stond geschreven dat Ammonieten en Moabieten nooit in de vergadering van God mochten komen.
Zij waren de Israëlieten namelijk niet met brood en water tegemoetgekomen.
Zij hadden zelfs Bileam gehuurd om hen te vervloeken, maar onze God maakte van die vloek een zegen.
Toen zij deze wet hoorden, zonderden zij iedereen van vreemde afkomst van Israël af.
De priester Eljasib ging over de kamers van het huis van onze God.
Hij was al eerder familie van Tobia geworden.
Hij had voor hem een grote kamer ingericht.
Daar bracht men eerst het graanoffer, de wierook en het gerei.
Ook lagen daar de tienden van graan, nieuwe wijn en olie voor de Levieten, de zangers en de poortwachters, en het hefoffer van de priesters.
Bij dit alles was ik niet in Jeruzalem.
In het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta, de koning van Babel, was ik naar de koning gegaan.
Na een tijd vroeg ik de koning opnieuw verlof.
Ik kwam in Jeruzalem en hoorde van het kwaad dat Eljasib voor Tobia gedaan had.
Hij had een kamer voor hem gemaakt in de voorhoven van het huis van God.
Dat beviel mij helemaal niet.
Ik gooide alle spullen van Tobia de kamer uit.
Verder gaf ik bevel de kamers te reinigen.
Ik bracht het gerei van het huis van God er weer in, met het graanoffer en de wierook.
De tienden voor de Levieten
Ook hoorde ik dat het deel van de Levieten niet gegeven was.
Daardoor waren de Levieten en de zangers die het werk deden weggegaan, ieder naar zijn eigen akker.
Ik klaagde de bestuurders aan en zei: Waarom is het huis van God verwaarloosd?
Ik riep de Levieten bijeen en zette hen weer op hun plaats.
Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie naar de voorraadkamers.
Ik stelde als beheerders over de voorraden aan: de priester Selemja, de schrijver Zadok en Pedaja uit de Levieten.
Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Matthanja, stond hen bij.
Zij golden als betrouwbaar, en zij moesten de delen aan hun broers uitdelen.
Denk aan mij, mijn God, om wat ik hierin gedaan heb.
Wis de goede daden niet uit die ik voor het huis van mijn God en zijn diensten gedaan heb.
De sabbat in Jeruzalem
In die tijd zag ik in Juda mensen op de sabbat de wijnpers treden.
Zij haalden ook graanschoven binnen en laadden die op ezels, met wijn, druiven en vijgen.
Al die lading brachten zij op de sabbat in Jeruzalem.
Ik waarschuwde hen op de dag dat zij die waren verkochten.
Er woonden ook mensen uit Tyrus, die vis en allerlei koopwaar aanvoerden.
Zij verkochten dat op de sabbat aan de mensen van Juda en in Jeruzalem.
Ik klaagde de edelen van Juda aan en zei tegen hen: Wat een slechte zaak doet u hier!
U ontheiligt de sabbatdag.

Deden uw voorouders niet hetzelfde?
Daarom bracht onze God al dit onheil over ons en over deze stad.
En u maakt de brandende toorn over Israël nog groter door de sabbat te ontheiligen.

Toen het in de poorten van Jeruzalem donker werd, vlak voor de sabbat, gaf ik bevel de deuren te sluiten.
Ik beval dat zij pas na de sabbat weer open mochten.
Bij de poorten zette ik een paar van mijn mannen neer, zodat er op de sabbat geen lading binnenkwam.
Toen overnachtten de handelaars en de verkopers van allerlei koopwaar een paar keer buiten Jeruzalem.
Ik waarschuwde hen en zei: Waarom overnacht u tegenover de muur?
Als u het weer doet, sla ik de hand aan u.

Van toen af kwamen zij niet meer op de sabbat.
Verder zei ik tegen de Levieten dat zij zich moesten reinigen en de poorten moesten bewaken, om de sabbatdag heilig te houden.
Denk ook hierin aan mij, mijn God, en spaar mij naar uw grote trouw.
Huwelijken met vreemde vrouwen
In die tijd zag ik ook Joden die vrouwen uit Asdod, Ammon en Moab bij zich hadden laten wonen.
Hun kinderen spraken half de taal van Asdod.
Zij konden geen Joods spreken, maar spraken de taal van het ene of het andere volk.
Ik klaagde hen aan, vervloekte hen en sloeg sommige mannen.
Ik trok hun de haren uit en liet hen bij God zweren: Geef uw dochters niet aan hun zonen.
Neem hun dochters niet voor uw zonen of voor uzelf.

Heeft Salomo, de koning van Israël, daarin niet gezondigd?
Onder veel volken was er geen koning zoals hij.
God had hem lief en maakte hem koning over heel Israël.
Toch brachten de vreemde vrouwen ook hem tot zonde.

Zouden wij dan naar u luisteren en al dit grote kwaad doen?
Zouden wij ontrouw worden aan onze God door vreemde vrouwen bij ons te laten wonen?

Ook was een van de zonen van Jojada, de zoon van de hogepriester Eljasib, de schoonzoon van Sanballat uit Horon geworden.
Daarom joeg ik hem bij mij weg.
Denk aan hen, mijn God, want zij hebben het priesterschap onrein gemaakt, en ook het verbond van het priesterschap en van de Levieten.
Zo reinigde ik hen van alles wat vreemd was.
Ik regelde de diensten van de priesters en de Levieten, ieder op zijn werk.
Ook regelde ik het brengen van het hout op vaste tijden en het brengen van de eerstelingen.
Denk aan mij ten goede, mijn God.

Download hoofdstuk als tekstbestand