Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Nehemia 3
Wie aan de muur bouwden
De poorten aan de noordkant
Eljasib, de hogepriester, ging met zijn broers, de priesters, aan de slag.
Zij bouwden de Schaapspoort, wijdden die en zetten de deuren erin.
Zij wijdden de muur tot aan de toren Mea en de toren Hananeël.
Zij bouwden de Schaapspoort, wijdden die en zetten de deuren erin.
Zij wijdden de muur tot aan de toren Mea en de toren Hananeël.
Naast hem bouwden de mannen van Jericho, en daarnaast bouwde Zacchur, de zoon van Imri.
De Vispoort werd gebouwd door de mensen van Senaä.
Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Naast hen herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz.
Daarnaast herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël.
Daarnaast herstelde Zadok, de zoon van Baëna.
Daarnaast herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël.
Daarnaast herstelde Zadok, de zoon van Baëna.
Daarnaast herstelden de mensen van Thekoa.
Maar hun vooraanstaande mannen wilden zich niet voor het werk van hun Heere buigen.
Maar hun vooraanstaande mannen wilden zich niet voor het werk van hun Heere buigen.
De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja.
Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Daarnaast herstelden Melatja uit Gibeon en Jadon uit Meronoth, met de mannen van Gibeon en Mizpa.
Zij werkten tot aan de zetel van de landvoogd aan deze kant van de rivier.
Zij werkten tot aan de zetel van de landvoogd aan deze kant van de rivier.
Daarnaast herstelde Uzziël, de zoon van Harhoja, een van de goudsmeden.
Daarnaast herstelde Hananja, de zoon van een van de zalfbereiders.
Zij herstelden Jeruzalem tot aan de brede muur.
Daarnaast herstelde Hananja, de zoon van een van de zalfbereiders.
Zij herstelden Jeruzalem tot aan de brede muur.
Daarnaast herstelde Refaja, de zoon van Hur, de leider van de ene helft van Jeruzalem.
Daarnaast herstelde Jedaja, de zoon van Harumaf, tegenover zijn eigen huis.
Daarnaast herstelde Hattus, de zoon van Hasabneja.
Daarnaast herstelde Hattus, de zoon van Hasabneja.
Een tweede stuk herstelden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab.
Zij herstelden ook de Bakoventoren.
Zij herstelden ook de Bakoventoren.
Daarnaast herstelde Sallum, de zoon van Lohes, de leider van de andere helft van Jeruzalem, met zijn dochters.
De zuidkant van de muur
De Dalpoort herstelden Hanun en de inwoners van Zanoah.
Zij bouwden die en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Ook herstelden zij 450 meter muur, tot aan de Mestpoort.
Zij bouwden die en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Ook herstelden zij 450 meter muur, tot aan de Mestpoort.
De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, de leider van het gebied Beth-Cherem.
Hij bouwde die en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Hij bouwde die en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels.
De Bronpoort herstelde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, de leider van het gebied Mizpa.
Hij bouwde die, overdekte hem en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Ook herstelde hij de muur van de vijver Selah bij de tuin van de koning.
Hij werkte tot aan de trappen die van de Stad van David afdalen.
Hij bouwde die, overdekte hem en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels.
Ook herstelde hij de muur van de vijver Selah bij de tuin van de koning.
Hij werkte tot aan de trappen die van de Stad van David afdalen.
Na hem herstelde Nehemia, de zoon van Azbuk, de leider van de ene helft van Beth-Zur.
Hij werkte tot tegenover de graven van David, tot aan de gegraven vijver en tot aan het huis van de helden.
Hij werkte tot tegenover de graven van David, tot aan de gegraven vijver en tot aan het huis van de helden.
Na hem herstelden de Levieten, met Rehum, de zoon van Bani.
Daarnaast herstelde Hasabja, de leider van de ene helft van Kehila, voor zijn eigen gebied.
Daarnaast herstelde Hasabja, de leider van de ene helft van Kehila, voor zijn eigen gebied.
Na hem herstelden hun broers, met Bavai, de zoon van Henadad, de leider van de andere helft van Kehila.
Daarnaast herstelde Ezer, de zoon van Jesua, de leider van Mizpa, een tweede stuk.
Dat lag tegenover de opgang naar het wapenhuis, bij de hoek.
Dat lag tegenover de opgang naar het wapenhuis, bij de hoek.
Na hem herstelde Baruch, de zoon van Zabbai, vol vuur een tweede stuk.
Dat liep van de hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, de hogepriester.
Dat liep van de hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, de hogepriester.
Na hem herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een tweede stuk.
Dat liep van de deur van het huis van Eljasib tot aan het einde van dat huis.
Dat liep van de deur van het huis van Eljasib tot aan het einde van dat huis.
De oostkant en de goudsmeden
Na hem herstelden de priesters die in de omgeving woonden.
Daarna herstelden Benjamin en Hassub, tegenover hun eigen huis.
Na hen herstelde Azaria, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, bij zijn eigen huis.
Na hen herstelde Azaria, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, bij zijn eigen huis.
Na hem herstelde Binnuï, de zoon van Henadad, een tweede stuk.
Dat liep van het huis van Azaria tot aan de hoek en de bocht.
Dat liep van het huis van Azaria tot aan de hoek en de bocht.
Palal, de zoon van Uzai, werkte tegenover de hoek en de hoge toren.
Die toren steekt uit het paleis van de koning naar voren, bij de voorhof van de gevangenis.
Na hem werkte Pedaja, de zoon van Paros.
Die toren steekt uit het paleis van de koning naar voren, bij de voorhof van de gevangenis.
Na hem werkte Pedaja, de zoon van Paros.
De tempelknechten die op de Ofel woonden, herstelden tot tegenover de Waterpoort in het oosten en de uitstekende toren.
Daarna herstelden de mensen van Thekoa een tweede stuk, tegenover de grote uitstekende toren en tot aan de muur van de Ofel.
Boven de Paardenpoort herstelden de priesters, ieder tegenover zijn eigen huis.
Daarna herstelde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn eigen huis.
Na hem herstelde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort.
Na hem herstelde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort.
Na hem herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede stuk.
Na hen herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn eigen kamer.
Na hen herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn eigen kamer.
Na hem herstelde Malchia, de zoon van een goudsmid, tot aan het huis van de tempelknechten en de handelaars.
Hij werkte tegenover de Wachtpoort, tot aan de bovenzaal op de hoek.
Hij werkte tegenover de Wachtpoort, tot aan de bovenzaal op de hoek.
Tussen de bovenzaal op de hoek en de Schaapspoort herstelden de goudsmeden en de handelaars.