Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Nehemia 2

Nehemia gaat naar Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Nehemia vraagt de koning verlof
In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, stond er wijn voor hem.
Ik nam de wijn op en gaf die aan de koning.
Nooit eerder was ik verdrietig geweest in zijn aanwezigheid.
De koning zei tegen mij: Waarom kijkt u zo verdrietig?
U bent toch niet ziek?
Dit kan alleen verdriet van het hart zijn.

Toen werd ik heel bang.
Ik zei tegen de koning: Lang leve de koning!
Hoe zou ik niet verdrietig kijken?
De stad waar mijn voorouders begraven liggen, ligt in puin, en haar poorten zijn door vuur verteerd.

De koning zei tegen mij: Wat wilt u vragen?
Toen bad ik tot de God van de hemel.
Ik zei tegen de koning: Als de koning het goedvindt en als uw dienaar bij u in de gunst staat, stuur mij dan naar Juda.
Laat mij de stad herbouwen waar mijn voorouders begraven liggen.

De koning vroeg mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoe lang duurt uw reis, en wanneer komt u terug?
Het beviel de koning mij te sturen, en ik noemde hem een datum.
Verder zei ik tegen de koning: Als de koning het goedvindt, geef mij dan brieven mee voor de landvoogden aan de overkant van de rivier.
Zij moeten mij doorlaten tot ik in Juda kom.

Geef mij ook een brief voor Asaf, de beheerder van het bos van de koning.
Hij moet mij hout geven voor de balken van de poorten van de burcht bij het huis.
Ook heb ik hout nodig voor de stadsmuur en voor het huis waar ik zal wonen.

De koning gaf ze mij, want de goede hand van mijn God was over mij.
De nachtelijke rit om de muur
Toen kwam ik bij de landvoogden aan de overkant van de rivier en gaf hun de brieven van de koning.
De koning had ook legeraanvoerders en ruiters met mij meegestuurd.
Sanballat uit Horon en Tobia, de Ammonitische dienaar, hoorden dat.
Het beviel hun helemaal niet dat er iemand gekomen was die het goede zocht voor de Israëlieten.
Ik kwam in Jeruzalem aan en bleef daar drie dagen.
Daarna stond ik 's nachts op, met een paar mannen.
Ik had niemand verteld wat mijn God mij in het hart gegeven had om voor Jeruzalem te doen.
Ik had geen ander dier bij mij dan het dier waarop ik reed.
's Nachts ging ik door de Dalpoort naar buiten, langs de Drakenbron naar de Mestpoort.
Ik bekeek de muren van Jeruzalem, die afgebroken waren, en haar poorten, die door vuur verteerd waren.
Ik ging verder naar de Bronpoort en naar de vijver van de koning.
Daar was geen ruimte voor het dier om onder mij door te gaan.
Toen ging ik 's nachts omhoog door het dal en bekeek de muur.
Daarna keerde ik om en kwam weer binnen door de Dalpoort.
De bestuurders wisten niet waar ik heen was gegaan of wat ik deed.
Ik had nog niets verteld aan de Joden, de priesters, de edelen, de bestuurders en de anderen die het werk deden.
Het volk begint te bouwen
Toen zei ik tegen hen: U ziet in wat voor ellende wij zitten.
Jeruzalem ligt in puin en haar poorten zijn verbrand.
Kom, laten wij de muur van Jeruzalem opbouwen, zodat wij niet langer bespot worden.

Ik vertelde hun hoe de hand van mijn God goed voor mij geweest was, en wat de koning tegen mij gezegd had.
Toen zeiden zij: Laten wij aan de slag gaan en bouwen.
En zij pakten het goede werk stevig aan.
Sanballat uit Horon, Tobia, de Ammonitische dienaar, en Gesem de Arabier hoorden dat.
Zij bespotten ons en keken op ons neer.
Zij zeiden: Wat is dat nu wat u doet?
Wilt u tegen de koning in opstand komen?

Ik gaf hun dit antwoord: De God van de hemel zal het ons laten lukken.
Wij, zijn dienaren, gaan aan de slag en bouwen.
U hebt geen deel, geen recht en geen aandenken in Jeruzalem.

Download hoofdstuk als tekstbestand