Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Nieuwe Testament

Mattheüs 26

De maaltijd, Gethsemané en het verhoor

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 10 minuten
Het plan om Jezus te doden
Toen Jezus deze hele toespraak had beëindigd, zei Hij tegen Zijn leerlingen:
Jullie weten dat over twee dagen het pascha begint.
Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.

Toen kwamen de overpriesters, schriftgeleerden en volksoudsten bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette.
Zij overlegden hoe ze Jezus met een list konden grijpen en doden.
Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, anders ontstaat er oproer onder het volk.
Een vrouw zalft Jezus in Bethanië
Jezus was in Bethanië, in het huis van Simon, die de melaatse werd genoemd.
Daar kwam een vrouw naar Hem toe met een albasten fles vol zeer kostbare zalf.
Terwijl Hij at, goot zij die over Zijn hoofd.
Toen Zijn leerlingen dit zagen, waren zij verontwaardigd.
Ze zeiden: Waarom deze verspilling?
Deze zalf had voor veel geld verkocht kunnen worden.
Dat geld had men aan de armen kunnen geven.

Jezus merkte het en zei tegen hen: Waarom vallen jullie deze vrouw lastig?
Zij heeft iets goeds voor mij gedaan.

De armen zijn altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie.
Door deze zalf over mijn lichaam te gieten, heeft zij mijn begrafenis voorbereid.
Ik verzeker jullie: overal ter wereld waar dit evangelie wordt verkondigd, zal men ter herinnering aan haar vertellen wat zij heeft gedaan.
Judas spreekt met de overpriesters
Toen ging een van de twaalf, Judas Iskariot, naar de overpriesters.
Hij vroeg: Wat willen jullie mij geven als ik Hem aan jullie uitlever?
Zij beloofden hem 30 zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht Judas een geschikte gelegenheid om Hem uit te leveren.
De laatste maaltijd met de leerlingen
Op de eerste dag van het Feest van de Ongezuurde Broden kwamen de leerlingen naar Jezus.
Zij vroegen: Waar wilt U dat we alles voorbereiden, zodat U het pascha kunt eten?
Hij antwoordde: Ga naar de stad, naar de man die ik bedoel.
Zeg hem: De Meester zegt: Mijn tijd is dichtbij.
Ik vier het pascha bij u, samen met mijn leerlingen.

De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en maakten het pascha klaar.
Toen het avond was geworden, ging Jezus met de twaalf aan tafel.
Tijdens de maaltijd zei Hij: Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden.
Zij werden diepbedroefd.
Een voor een vroegen zij Hem: Ik ben het toch niet, Heere?
Hij antwoordde: Degene die samen met mij zijn hand in de schaal doopt, zal mij verraden.
De Mensenzoon gaat weg, zoals over Hem geschreven staat.
Maar wee de mens die Hem verraadt!
Het zou voor hem beter zijn als hij nooit geboren was.

Judas, die Hem zou verraden, vroeg: Ik ben het toch niet, Rabbi?
Jezus antwoordde hem: Dat hebt u zelf gezegd.
Tijdens de maaltijd nam Jezus het brood.
Hij sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan de leerlingen.
Hij zei: Neem en eet.
Dit is mijn lichaam.

Daarna nam Hij de beker.
Hij dankte God, gaf de beker aan hen en zei: Drink er allemaal uit.
Want dit is mijn bloed van het nieuwe verbond.
Het wordt voor velen vergoten, zodat hun zonden vergeven worden.

Ik zeg jullie: vanaf nu drink ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt.
Pas op de dag dat ik samen met jullie nieuwe wijn drink in het koninkrijk van mijn Vader.

Nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen ze naar de Olijfberg.
Jezus waarschuwt Zijn leerlingen
Toen zei Jezus tegen hen: Deze nacht zullen jullie mij allemaal verlaten.
Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen worden verspreid.

Maar nadat ik ben opgestaan, zal ik vóór jullie uit naar Galilea gaan.
Petrus antwoordde Hem: Ook als alle anderen U verlaten, zal ik U nooit verlaten.
Jezus zei tegen hem: Ik verzeker je: vannacht zul je mij driemaal verloochenen, nog voordat de haan kraait.
Petrus zei tegen Hem: Zelfs als ik met U moet sterven, zal ik U beslist niet verloochenen!
Alle andere leerlingen zeiden hetzelfde.
Jezus bidt in Gethsemané
Daarna ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsemané heette.
Hij zei tegen de leerlingen: Blijf hier zitten terwijl ik daar verderop ga bidden.
Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee.
Hij begon verdrietig en zeer angstig te worden.
Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is diepbedroefd, tot de dood toe.
Blijf hier en waak met mij.

Hij ging iets verder, viel met Zijn gezicht op de grond en bad: Mijn Vader, laat deze beker zo mogelijk aan mij voorbijgaan.
Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat U wilt.

Daarna ging Hij terug naar de leerlingen en vond hen slapend.
Hij zei tegen Petrus: Konden jullie dan niet één uur met mij waken?
Waak en bid, zodat jullie niet aan de verleiding toegeven.
De geest wil wel, maar het vlees is zwak.

Hij ging opnieuw weg en bad: Mijn Vader, als deze beker alleen voorbij kan gaan wanneer ik hem drink, laat dan Uw wil gebeuren.
Toen Hij terugkwam, vond Hij hen opnieuw slapend.
Hun ogen vielen steeds dicht.
Hij liet hen alleen, ging opnieuw weg en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.
Daarna kwam Hij bij Zijn leerlingen en zei: Slaap nu maar verder en rust uit.
Kijk, het uur is gekomen.
De Mensenzoon wordt uitgeleverd in de handen van zondaars.

Sta op, laten we gaan.
Kijk, degene die mij verraadt is dichtbij.

Jezus wordt gevangengenomen
Terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf.
Een grote groep met zwaarden en stokken vergezelde hem, gestuurd door de overpriesters en volksoudsten.
De verrader had hun een teken gegeven: Degene die ik kus, is het.
Grijp Hem!

Judas liep meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi!
Toen kuste hij Hem.
Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor ben je gekomen?
Toen kwamen de mannen naar voren, grepen Jezus vast en namen Hem gevangen.
Een van de mannen die bij Jezus waren, trok zijn zwaard.
Hij sloeg de dienaar van de hogepriester en hakte zijn oor af.
Toen zei Jezus tegen hem: Steek je zwaard terug op zijn plaats.
Want iedereen die naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.

Denk je dat ik mijn Vader nu niet om hulp kan vragen?
Hij zou mij direct meer dan twaalf legioenen engelen sturen.

Maar hoe zouden dan de Schriften worden vervuld, die zeggen dat het zo moet gebeuren?
Op dat moment zei Jezus tegen de groep: Jullie zijn met zwaarden en stokken gekomen om mij te grijpen, alsof ik een misdadiger ben.
Dagelijks gaf ik onderwijs in de tempel, maar toen grepen jullie mij niet.

Maar dit alles is gebeurd zodat de Schriften van de profeten worden vervuld.
Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en vluchtten weg.
Jezus voor de hoge raad
De mannen die Jezus gevangengenomen hadden, brachten Hem naar de hogepriester Kajafas.
De schriftgeleerden en oudsten waren daar bijeengekomen.
Petrus volgde Hem op afstand tot aan de binnenplaats van het paleis van de hogepriester.
Hij ging naar binnen en zat bij de dienaren om de afloop te zien.
De overpriesters, oudsten en de hele hoge raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus waarmee ze Hem ter dood konden veroordelen.
Maar ze vonden niets.
Hoewel veel valse getuigen zich meldden, vonden zij niets bruikbaars.
Uiteindelijk kwamen er twee valse getuigen.
Zij verklaarden: Deze man heeft gezegd: Ik kan Gods tempel afbreken en hem binnen drie dagen weer opbouwen.
De hogepriester stond op en vroeg Jezus: Geeft U geen antwoord?
Wat getuigen deze mannen tegen U?

Maar Jezus zweeg.
De hogepriester zei tegen Hem: Bij de levende God stel ik U onder ede: zeg ons of U de Christus bent, de Zoon van God.
Jezus antwoordde hem: Dat hebt u gezegd.
Maar ik zeg u allen: vanaf nu zult u de Mensenzoon aan Gods rechterhand zien zitten.
U zult Hem op de wolken van de hemel zien komen.

Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd!
Waarom hebben we nog getuigen nodig?
Jullie hebben Zijn godslastering nu zelf gehoord.

Wat vinden jullie?
Zij antwoordden: Hij verdient de dood.
Daarna spuugden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem met hun vuisten.
Anderen sloegen Hem in het gezicht.
Ze riepen: Profeteer voor ons, Christus!
Wie heeft U geslagen?

Petrus verloochent Jezus
Petrus zat buiten op de binnenplaats.
Een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Jij hoorde ook bij Jezus uit Galilea.
Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: Ik weet niet waar je het over hebt.
Toen hij naar de poort liep, zag een ander dienstmeisje hem.
Zij zei tegen de mensen daar: Deze man hoorde bij Jezus uit Nazareth.
Opnieuw ontkende Petrus het.
Hij zwoer: Ik ken die man niet.
Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe.
Zij zeiden: Jij bent beslist ook een van hen, want je manier van spreken verraadt je.
Toen begon Petrus zichzelf te vervloeken en zwoer: Ik ken die man niet!
Meteen kraaide de haan.
Petrus herinnerde zich wat Jezus tegen hem had gezegd: Voordat de haan kraait, zul je mij driemaal verloochenen.
Hij ging naar buiten en huilde bitter.

Download hoofdstuk als tekstbestand