Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Nieuwe Testament

Lukas 23

Het vonnis, de kruisiging en het graf

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Voor Pilatus en Herodes
De hele vergadering stond op en bracht Hem naar Pilatus.
Zij begonnen Hem te beschuldigen.
Zij zeiden: Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit.
Hij verbiedt belasting aan de keizer te betalen en zegt dat Hij zelf de Christus is, de Koning.

Pilatus vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden?
Hij antwoordde hem: U zegt het.
Pilatus zei tegen de hogepriesters en de menigte: Ik vind geen schuld in deze man.
Maar zij drongen nog harder aan.
Zij zeiden: Hij hitst het volk op met Zijn onderwijs door heel Judea.
Hij begon in Galilea en is nu hier.

Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was.
Hij hoorde dat Jezus uit het gebied van Herodes kwam en stuurde Hem naar hem toe.
Herodes was in die dagen namelijk ook in Jeruzalem.
Herodes was heel blij toen hij Jezus zag.
Hij wilde Hem al lang ontmoeten, omdat hij veel over Hem hoorde.
Hij hoopte Hem een teken te zien doen.
Hij stelde Hem veel vragen, maar Jezus gaf hem geen antwoord.
De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden erbij en beschuldigden Hem fel.
Herodes en zijn soldaten behandelden Hem met minachting en dreven de spot met Hem.
Zij deden Hem een schitterend kleed om en stuurden Hem terug naar Pilatus.
Op die dag werden Pilatus en Herodes vrienden.
Daarvoor waren zij vijanden van elkaar.
Pilatus geeft toe
Pilatus riep de hogepriesters, de leiders en het volk bijeen.
Hij zei tegen hen:
U hebt deze man bij mij gebracht als iemand die het volk opruit.
Ik heb Hem in uw bijzijn ondervraagd en vind geen schuld in Hem op de punten waarvan u Hem beschuldigt.

Herodes ook niet, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd.
Er is niets gebeurd waaruit blijkt dat Hij de doodstraf verdient.

Ik zal Hem daarom straffen en vrijlaten.
Hij moest namelijk op het feest iemand vrijlaten.
Maar de hele menigte schreeuwde het uit: Weg met Hem.
Laat Barabbas vrij.

Die zat in de gevangenis wegens een opstand in de stad en wegens moord.
Pilatus sprak hen opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde vrijlaten.
Maar zij schreeuwden ertegenin: Kruisig Hem, kruisig Hem.
Voor de derde keer zei hij tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?
Ik heb bij Hem geen reden voor de doodstraf gevonden.
Ik zal Hem straffen en vrijlaten.

Maar zij bleven met luid geschreeuw eisen dat Hij gekruisigd werd.
Hun geschreeuw en dat van de hogepriesters werd steeds sterker.
Toen besliste Pilatus dat hun eis zou worden ingewilligd.
Hij liet de man vrij die wegens opstand en moord vastzat, zoals zij hadden gevraagd.
Jezus leverde hij aan hun wil over.
De weg naar Golgotha
Toen zij Hem wegleidden, grepen zij Simon van Cyrene, die van het land kwam.
Zij legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen.
Een grote menigte volgde Hem, ook vrouwen die om Hem huilden en klaagden.
Jezus draaide zich naar hen om en zei: Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij.
Huil om jezelf en om je kinderen.

Want er komen dagen waarop men zal zeggen: Gelukkig zijn de vrouwen zonder kinderen, die niet gebaard en geen borstvoeding gegeven hebben.
Dan zullen zij tegen de bergen gaan zeggen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons.
Want als zij dit doen met het groene hout, wat gebeurt er dan met het dorre?
Er werden ook twee anderen weggeleid, misdadigers, om samen met Hem gedood te worden.
De kruisiging
Zij kwamen bij de plaats die Schedelplaats heet.
Daar kruisigden zij Hem, met de misdadigers rechts en links van Hem.
Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
Zij verdeelden Zijn kleren door erom te loten.
Het volk stond toe te kijken.
Ook de leiders dreven de spot met Hem.
Zij zeiden: Anderen heeft Hij gered.
Laat Hij nu zichzelf redden, als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God.

Ook de soldaten kwamen naar Hem toe en dreven de spot met Hem.
Zij boden Hem zure wijn aan.
Zij zeiden: Als U de Koning van de Joden bent, red Uzelf dan.
Boven Hem hing ook een opschrift: DEZE IS DE KONING VAN DE JODEN.
Een van de misdadigers die daar hingen, beledigde Hem.
Hij zei: Bent U de Christus?
Red dan Uzelf en ons.

Maar de ander wees hem terecht.
Hij zei: Hebt u dan geen ontzag voor God?
U ondergaat toch dezelfde straf.

Wij krijgen terecht wat onze daden verdienen.
Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.

Hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij wanneer U in Uw koninkrijk komt.
Jezus zei tegen hem: Ik verzeker u: vandaag zult u met mij in het paradijs zijn.
Jezus sterft
Het was ongeveer het zesde uur.
Er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur.
De zon werd verduisterd en het gordijn in de tempel scheurde middendoor.
Jezus riep met luide stem: Vader, in Uw handen leg ik mijn geest.
Na deze woorden stierf Hij.
De hoofdman zag wat er gebeurde en eerde God.
Hij zei: Deze man was werkelijk rechtvaardig.
Alle mensen die waren toegestroomd om te kijken, zagen wat er gebeurde.
Zij gingen naar huis en sloegen zich op de borst.
Al Zijn bekenden stonden op een afstand toe te kijken.
Ook de vrouwen die Hem uit Galilea gevolgd waren, stonden daar.
Het graf
Er was een man die Jozef heette, een raadslid, een goed en rechtvaardig mens.
Hij had niet ingestemd met hun besluit en handelwijze.
Hij kwam uit Arimathea, een Joodse stad, en verwachtte Gods koninkrijk.
Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.
Hij nam het van het kruis, wikkelde het in fijn linnen en legde het in een graf dat in de rots was uitgehakt.
Daarin had nog nooit iemand gelegen.
Het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan.
De vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, gingen mee.
Zij zagen het graf en hoe Zijn lichaam werd neergelegd.
Zij gingen terug en maakten geurige kruiden en zalf klaar.
Op de sabbat rustten zij, volgens het gebod.

Download hoofdstuk als tekstbestand