Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Nieuwe Testament
Lukas 22
Het laatste pascha, het verraad en het verhoor
Judas maakt een afspraak
Het feest van de ongezuurde broden, dat pascha heet, kwam dichterbij.
De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten een manier om Hem te doden.
Zij waren bang voor het volk.
Zij waren bang voor het volk.
De satan nam bezit van Judas, die Iskariot werd genoemd en bij de twaalf hoorde.
Hij ging naar de hogepriesters en de tempelofficieren en besprak hoe hij Hem kon uitleveren.
Zij waren blij en spraken af hem geld te geven.
Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem zonder oproer uit te leveren.
Het pascha wordt klaargemaakt
De dag van de ongezuurde broden brak aan, waarop het paaslam geslacht moest worden.
Hij stuurde Petrus en Johannes weg en zei: Ga het pascha voor ons klaarmaken, zodat wij het kunnen eten.
Zij zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij het klaarmaken?
Hij zei tegen hen: Als jullie de stad binnenkomen, zal een man met een waterkruik jullie tegemoet komen.
Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.
Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.
Zeg tegen de eigenaar van dat huis: De Meester vraagt u: waar is de kamer waar ik met mijn leerlingen het pascha kan eten?
Hij zal jullie een grote ingerichte bovenzaal wijzen.
Maak het daar klaar.
Maak het daar klaar.
Zij gingen op weg, vonden alles zoals Hij het gezegd had en maakten het pascha klaar.
De maaltijd
Toen het tijd was, ging Hij aan tafel met de twaalf apostelen.
Hij zei tegen hen: Ik heb er hevig naar verlangd dit pascha met jullie te eten voordat ik ga lijden.
Want ik zeg jullie dat ik er niet meer van zal eten tot het vervuld is in Gods koninkrijk.
Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: Neem deze en deel hem onder elkaar.
Want ik zeg jullie dat ik van nu af niet meer van de wijnstok zal drinken, tot Gods koninkrijk gekomen is.
Hij nam brood, sprak het dankgebed uit, brak het en gaf het hun.
Hij zei: Dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.
Doe dit om mij te gedenken.
Hij zei: Dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt.
Doe dit om mij te gedenken.
Na de maaltijd deed Hij hetzelfde met de beker.
Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor jullie vergoten wordt.
Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor jullie vergoten wordt.
Maar kijk, de hand van degene die mij verraadt, ligt met mij op tafel.
De Mensenzoon gaat wel zoals het besloten is.
Maar wee de mens door wie Hij verraden wordt!
Maar wee de mens door wie Hij verraden wordt!
Zij begonnen elkaar te vragen wie van hen dat zou doen.
Wie is de grootste?
Er ontstond ook onenigheid onder hen over wie de belangrijkste was.
Hij zei tegen hen: De koningen van de volken heersen over hen.
En wie macht heeft, laat zich weldoener noemen.
En wie macht heeft, laat zich weldoener noemen.
Bij jullie is dat niet zo.
De grootste onder jullie moet als de jongste zijn, en de leider als iemand die dient.
De grootste onder jullie moet als de jongste zijn, en de leider als iemand die dient.
Want wie is belangrijker: wie aan tafel zit of wie bedient?
Toch wie aan tafel zit?
Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient.
Toch wie aan tafel zit?
Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient.
Jullie zijn steeds bij mij gebleven in mijn beproevingen.
En ik geef jullie het koningschap, zoals mijn Vader dat aan mij gegeven heeft.
Zo eten en drinken jullie aan mijn tafel in mijn koninkrijk.
Jullie zullen op tronen zitten en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.
Jullie zullen op tronen zitten en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.
Jezus zegt vooruit dat Petrus Hem verloochent
De Heere zei: Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen zeven als tarwe.
Maar ik heb voor je gebeden dat je geloof niet bezwijkt.
En als jij eenmaal terug bent, maak dan je broeders sterk.
En als jij eenmaal terug bent, maak dan je broeders sterk.
Hij zei tegen Hem: Heere, ik ben bereid met U de gevangenis in te gaan en te sterven.
Maar Hij zei: Ik zeg je, Petrus: vandaag zal de haan niet kraaien voordat jij drie keer ontkend hebt dat je mij kent.
Hij zei tegen hen: Toen ik jullie uitstuurde zonder beurs, tas en schoenen, kwamen jullie toen iets tekort?
Zij zeiden: Niets.
Zij zeiden: Niets.
Hij zei tegen hen: Maar nu moet wie een beurs heeft die meenemen, en ook een tas.
En wie er geen heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen.
En wie er geen heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen.
Want ik zeg jullie dat dit woord uit de Schrift aan mij vervuld moet worden: Hij is bij de misdadigers gerekend.
Want wat over mij geschreven is, komt tot een einde.
Want wat over mij geschreven is, komt tot een einde.
Zij zeiden: Heere, kijk, hier zijn twee zwaarden.
Hij zei tegen hen: Het is genoeg.
Hij zei tegen hen: Het is genoeg.
Het gebed op de Olijfberg
Hij ging naar buiten en vertrok, zoals gewoonlijk, naar de Olijfberg.
Zijn leerlingen volgden Hem.
Zijn leerlingen volgden Hem.
Op die plek aangekomen zei Hij tegen hen: Bid dat jullie niet in verleiding komen.
Hij ging een steenworp bij hen vandaan, knielde neer en bad.
Hij zei: Vader, als U het wilt, neem deze beker dan van mij weg.
Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.
Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.
Er verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf.
In doodsangst bad Hij nog vuriger.
Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de grond vielen.
Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de grond vielen.
Hij stond op van het gebed en kwam bij Zijn leerlingen.
Hij vond hen slapend van verdriet.
Hij vond hen slapend van verdriet.
Hij zei tegen hen: Waarom slapen jullie?
Sta op en bid dat jullie niet in verleiding komen.
Sta op en bid dat jullie niet in verleiding komen.
Jezus wordt gevangengenomen
Terwijl Hij nog sprak, kwam er een menigte aan.
Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam naar Jezus toe om Hem te kussen.
Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam naar Jezus toe om Hem te kussen.
Jezus zei tegen hem: Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?
Zij die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren.
Zij zeiden: Heere, zullen wij met het zwaard toeslaan?
Zij zeiden: Heere, zullen wij met het zwaard toeslaan?
Een van hen sloeg de knecht van de hogepriester en hakte zijn rechteroor af.
Jezus zei daarop: Houd op, tot hier en niet verder.
Hij raakte het oor aan en genas hem.
Hij raakte het oor aan en genas hem.
De hogepriesters, de tempelofficieren en de oudsten waren op Hem afgekomen.
Jezus zei tegen hen: Bent u erop uitgetrokken met zwaarden en stokken, alsof ik een misdadiger ben?
Jezus zei tegen hen: Bent u erop uitgetrokken met zwaarden en stokken, alsof ik een misdadiger ben?
Ik was dagelijks bij u in de tempel en u hebt mij niet aangeraakt.
Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.
Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.
Petrus verloochent Jezus
Zij grepen Hem, voerden Hem weg en brachten Hem naar het huis van de hogepriester.
Petrus volgde op een afstand.
Petrus volgde op een afstand.
Midden in de binnenhof staken zij een vuur aan en gingen erbij zitten.
Petrus zat tussen hen in.
Petrus zat tussen hen in.
Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten.
Zij keek hem aan en zei: Deze man hoorde ook bij Hem.
Zij keek hem aan en zei: Deze man hoorde ook bij Hem.
Maar hij ontkende het en zei: Vrouw, ik ken Hem niet.
Even later zag iemand anders hem en zei: Jij hoort ook bij hen.
Maar Petrus zei: Man, dat ben ik niet.
Maar Petrus zei: Man, dat ben ik niet.
Ongeveer een uur later hield weer iemand vol: Echt waar, deze man hoorde ook bij Hem, want hij komt ook uit Galilea.
Maar Petrus zei: Man, ik weet niet waar je het over hebt.
Op dat moment, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.
Op dat moment, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.
De Heere draaide zich om en keek Petrus aan.
Toen dacht Petrus aan het woord van de Heere: Voordat de haan kraait, zul je mij drie keer verloochenen.
Toen dacht Petrus aan het woord van de Heere: Voordat de haan kraait, zul je mij drie keer verloochenen.
Petrus ging naar buiten en huilde bitter.
Bespot en verhoord
De mannen die Jezus bewaakten, dreven de spot met Hem en sloegen Hem.
Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem in het gezicht en vroegen: Profeteer eens, wie heeft U geslagen?
Zij zeiden nog veel meer beledigende dingen tegen Hem.
Toen het dag werd, kwamen de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden bijeen.
Zij brachten Hem voor hun raad.
Zij brachten Hem voor hun raad.
Zij zeiden: Bent U de Christus?
Zeg het ons.
Hij zei tegen hen: Als ik het jullie zeg, geloven jullie het niet.
Zeg het ons.
Hij zei tegen hen: Als ik het jullie zeg, geloven jullie het niet.
En als ik iets vraag, geven jullie geen antwoord en laten jullie mij niet gaan.
Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de machtige God.
Zij zeiden allemaal: Bent U dan de Zoon van God?
Hij zei tegen hen: U zegt zelf dat ik het ben.
Hij zei tegen hen: U zegt zelf dat ik het ben.
Zij zeiden: Waarom hebben wij nog een getuigenverklaring nodig?
Wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.
Wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.