Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Ethiopische boeken

Jubileeën 42

De broers van Jozef in Egypte

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
De eerste reis naar Egypte
In het eerste jaar van de derde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar begon de hongersnood in het land.
Er viel geen regen op de aarde, helemaal niets.
De aarde bracht niets meer op.
De Egyptenaren kwamen naar Jozef om voedsel te krijgen.
Hij opende de voorraadschuren waar het graan van het eerste jaar lag, en hij verkocht het voor goud aan de volken van het land.
Jakob hoorde dat er voedsel in Egypte was, en hij stuurde zijn tien zonen om voedsel voor hem te halen in Egypte.
Maar Benjamin stuurde hij niet mee.
Jozef herkende hen, maar zij herkenden hem niet.
Daarna liet hij hen gaan.
Alleen Simeon hield hij vast, en zijn negen broers stuurde hij weg.
Hij vulde hun zakken met graan, en ook hun goud liet hij in hun zakken terugleggen, zonder dat ze het wisten.
Hij droeg hun op hun jongste broer mee te brengen, omdat ze hem hadden verteld dat hun vader nog leefde en ook hun jongste broer.
Ze vertrokken uit Egypte en kwamen in het land Kanaän.
Ze vertelden hun vader alles wat hun was overkomen: hoe de heerser van het land hard tegen hen had gesproken en Simeon had vastgehouden totdat ze Benjamin zouden brengen.
Jakob laat Benjamin gaan
Jakob zei: Jullie hebben mij mijn kinderen afgenomen.
Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en nu willen jullie Benjamin van mij afnemen.
Jullie kwaad is op mij neergekomen.

Hij zei: Mijn zoon gaat niet met jullie mee, anders wordt hij misschien ziek.
Hij had namelijk gezien dat al hun geld in hun zakken was teruggekomen, en daarom durfde hij hem niet te sturen.
De hongersnood werd erger en zwaarder in het land Kanaän en in alle landen, behalve in Egypte.
De mensen in Egypte hadden in het eerste jaar van de hongersnood te eten.
Toen Israël zag dat de hongersnood in het land heel zwaar was geworden en dat er geen uitweg was, zei hij tegen zijn zonen: Ga terug en haal voedsel voor ons, anders sterven we.
Ze zeiden: We gaan niet.
Als onze jongste broer niet met ons meegaat, gaan we niet.

Israël zag dat ze allemaal door de hongersnood zouden omkomen als hij Benjamin niet met hen meestuurde.
Ruben zei: Vertrouw hem aan mij toe.
Als ik hem niet bij u terugbreng, dood dan mijn twee zonen in plaats van hem.

Juda kwam naar voren en zei: Stuur hem met ons mee.
Als ik hem niet bij u terugbreng, dan sta ik mijn hele leven schuldig tegenover u.

De tweede reis naar Egypte
Op de eerste dag van de maand, in het tweede jaar van deze jaarweek, stuurde hij hem met hen mee.
Ze kwamen met iedereen die meeging in Egypte aan, met geschenken in hun handen: balsem, amandelen, pistachenoten en wat honing.
Ze kwamen bij Jozef en stonden voor hem.
Hij zag zijn broer Benjamin, herkende hem en zei tegen hen: Is dit jullie jongste broer?
Ze zeiden tegen hem: Ja, dat is hij.
Hij liet hem naar zijn huis brengen, en ook Simeon bracht hij naar buiten, naar hen toe.
Ze aten bij hem, en hij gaf ieder een portie.
Maar de portie van Benjamin was zeven keer zo groot als die van alle anderen.
Ze aten en dronken, stonden op en overnachtten bij hun ezels.
Jozef bedacht een plan om te weten te komen wat ze dachten: of ze vreedzame gedachten over elkaar hadden.

Download hoofdstuk als tekstbestand