Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Ethiopische boeken
Jubileeën 29
Jakob vertrekt bij Laban
Laban achtervolgt Jakob
Nadat Rachel Jozef had gekregen, ging Laban zijn schapen scheren.
Die waren ver van hem vandaan, drie dagen reizen.
Die waren ver van hem vandaan, drie dagen reizen.
Jakob zag dat Laban zijn schapen ging scheren.
Hij had hun namelijk verteld hoe hij alles in een droom had gezien, en wat God tegen hem had gezegd: dat hij naar het huis van zijn vader zou terugkeren.
Jakob prees de God van zijn vader Izak en de God van Abraham, de vader van zijn vader.
Op de eenentwintigste dag van de eerste maand, in het zevende jaar van de vierde jaarweek, vertrok Jakob naar Gilead.
Laban achtervolgde hem en haalde Jakob in op het gebergte Gilead, op de dertiende dag van de derde maand.
Laban achtervolgde hem en haalde Jakob in op het gebergte Gilead, op de dertiende dag van de derde maand.
Maar God liet hem Jakob niets aandoen, want Hij verscheen hem 's nachts in een droom.
En Laban sprak met Jakob.
En Laban sprak met Jakob.
Op de vijftiende van die dagen hield Jakob een feestmaal voor Laban en voor iedereen die met hem was meegekomen.
Die dag zwoer Jakob aan Laban, en Laban aan Jakob, dat de een op het gebergte Gilead nooit met kwade bedoelingen naar de ander zou oversteken.
Die dag zwoer Jakob aan Laban, en Laban aan Jakob, dat de een op het gebergte Gilead nooit met kwade bedoelingen naar de ander zou oversteken.
Hij hield daar een vreugdefeest als getuigenis.
Daarom heet die plaats Vreugde van de Getuigenis, naar die vreugde.
Daarom heet die plaats Vreugde van de Getuigenis, naar die vreugde.
Vroeger noemde men het land Gilead het land van de Refaïeten, want het is het land van de Refaïeten.
Hun woongebied liep van het land van de Ammonieten tot aan de berg Hermon, en hun koninklijke steden waren Karnaïm, Astharoth, Edreï, Misur en Beon.
God vernietigde hen om hun slechte daden, want ze onderdrukten anderen zwaar.
Jakob liet Laban gaan, en die ging terug naar Mesopotamië, het land in het oosten.
Jakob zorgt voor zijn ouders
Op de elfde dag van de negende maand stak Jakob de Jabbok over.
In het eerste jaar van de vijfde jaarweek van dit jubeljaar stak hij de Jordaan over.
Hij woonde aan de overkant van de Jordaan en hoedde zijn schapen van de zee van Fachachath tot Beth-San, tot Dothan en tot het woud van Akrabbim.
Hij woonde aan de overkant van de Jordaan en hoedde zijn schapen van de zee van Fachachath tot Beth-San, tot Dothan en tot het woud van Akrabbim.
Hij stuurde zijn vader Izak van al zijn bezit: kleding en voedsel, vlees en drinken, melk, boter en kaas, en dadels uit het dal.
Ook zijn moeder Rebekka stuurde hij vier keer per jaar iets, naar de toren van Abraham: tussen de tijden van de maanden, tussen ploegen en oogsten, tussen najaar en regentijd, en tussen winter en zomer.
Want Izak was uit Berseba vertrokken en naar de toren van zijn vader Abraham gegaan.
Daar woonde hij, apart van zijn zoon Ezau.
Daar woonde hij, apart van zijn zoon Ezau.
Want in de tijd dat Jakob naar Mesopotamië ging, trouwde Ezau met Mahalath, de dochter van Ismaël.
Hij verzamelde alle kudden van zijn vader en zijn vrouwen, trok weg en ging op het gebergte Seïr wonen.
Hij verzamelde alle kudden van zijn vader en zijn vrouwen, trok weg en ging op het gebergte Seïr wonen.
Izak vertrok uit Berseba en ging wonen in de toren van zijn vader Abraham, in het bergland van Hebron.
Vandaar stuurde Jakob van tijd tot tijd alles wat zijn vader en moeder nodig hadden.