Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jozua 9
De list van de Gibeonieten
De koningen verbinden zich
Het nieuws kwam ter ore van alle koningen ten westen van de Jordaan.
Zij woonden in het bergland, in het laagland en langs de hele kust van de Grote Zee tot aan de Libanon.
Het waren de koningen van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten.
Zij woonden in het bergland, in het laagland en langs de hele kust van de Grote Zee tot aan de Libanon.
Het waren de koningen van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten.
Zij verbonden zich met elkaar om samen tegen Jozua en Israël te strijden.
De Gibeonieten doen alsof zij van ver komen
Toen de inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had,
bedachten zij een list.
Zij deden zich voor als gezanten.
Zij laadden oude zakken op hun ezels, en oude, gescheurde en opgelapte leren wijnzakken.
Zij deden zich voor als gezanten.
Zij laadden oude zakken op hun ezels, en oude, gescheurde en opgelapte leren wijnzakken.
Zij droegen oude, versleten sandalen en oude kleren.
Al het brood dat zij als proviand bij zich hadden, was droog en beschimmeld.
Al het brood dat zij als proviand bij zich hadden, was droog en beschimmeld.
Zij gingen naar Jozua in het kamp in Gilgal en zeiden tegen hem en de mannen van Israël: Wij komen uit een ver land.
Sluit dus een verbond met ons.
Sluit dus een verbond met ons.
De mannen van Israël zeiden tegen de Hevieten: Misschien wonen jullie wel midden tussen ons.
Hoe kunnen wij dan een verbond met jullie sluiten?
Hoe kunnen wij dan een verbond met jullie sluiten?
Zij zeiden tegen Jozua: Wij zijn uw dienaren.
Jozua vroeg hun: Wie zijn jullie, en waar komen jullie vandaan?
Jozua vroeg hun: Wie zijn jullie, en waar komen jullie vandaan?
Zij antwoordden hem: Uw dienaren zijn uit een heel ver land gekomen vanwege de naam van de HEERE, uw God.
Want wij hebben gehoord wat Hij allemaal in Egypte gedaan heeft.
Want wij hebben gehoord wat Hij allemaal in Egypte gedaan heeft.
Wij hebben ook gehoord wat Hij gedaan heeft met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan.
Dat waren Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth woonde.
Dat waren Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth woonde.
Daarom zeiden onze oudsten en alle inwoners van ons land tegen ons: Neem proviand mee voor onderweg en ga hen tegemoet.
Zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren, sluit dus een verbond met ons.
Zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren, sluit dus een verbond met ons.
Dit brood van ons was nog warm toen wij het als proviand van huis meenamen, op de dag dat wij op weg gingen naar jullie.
Maar kijk, nu is het droog en beschimmeld.
Maar kijk, nu is het droog en beschimmeld.
Deze wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden, maar kijk, ze zijn gescheurd.
Ook onze kleren en sandalen zijn versleten door de lange reis.
Ook onze kleren en sandalen zijn versleten door de lange reis.
De mannen van Israël namen iets van hun proviand, maar zij vroegen de HEERE niet om raad.
Jozua sloot vrede met hen en maakte een verbond met hen dat hij hen in leven zou laten.
Ook de leiders van de gemeenschap legden een eed tegenover hen af.
Ook de leiders van de gemeenschap legden een eed tegenover hen af.
Het bedrog komt uit
Drie dagen nadat zij het verbond met hen gesloten hadden, hoorden zij dat het buren waren, die midden tussen hen woonden.
De Israëlieten trokken verder en kwamen op de derde dag bij hun steden: Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim.
Maar de Israëlieten doodden hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun bij de HEERE, de God van Israël, een eed hadden gezworen.
Daarom mopperde de hele gemeenschap op de leiders.
Daarom mopperde de hele gemeenschap op de leiders.
Alle leiders zeiden tegen de hele gemeenschap: Wij hebben hun bij de HEERE, de God van Israël, een eed gezworen.
Daarom mogen wij hen niet aanraken.
Daarom mogen wij hen niet aanraken.
Dit zullen wij met hen doen: wij laten hen in leven.
Anders komt er toorn over ons vanwege de eed die wij hun gezworen hebben.
Anders komt er toorn over ons vanwege de eed die wij hun gezworen hebben.
De leiders zeiden verder: Laat hen leven.
Zo werden zij houthakkers en waterdragers voor de hele gemeenschap, zoals de leiders hun gezegd hadden.
Zo werden zij houthakkers en waterdragers voor de hele gemeenschap, zoals de leiders hun gezegd hadden.
Jozua riep hen bij zich en zei tegen hen: Waarom hebben jullie ons bedrogen door te zeggen dat jullie heel ver van ons vandaan wonen?
Jullie wonen juist midden tussen ons!
Jullie wonen juist midden tussen ons!
Daarom zijn jullie nu vervloekt.
Er zullen onder jullie altijd slaven zijn, houthakkers en waterdragers voor het huis van mijn God.
Er zullen onder jullie altijd slaven zijn, houthakkers en waterdragers voor het huis van mijn God.
Zij antwoordden Jozua: Het was uw dienaren duidelijk verteld wat de HEERE, uw God, Zijn dienaar Mozes had opgedragen.
Hij zou jullie het hele land geven en alle bewoners voor jullie uit vernietigen.
Toen werden wij doodsbang voor jullie.
Daarom hebben wij dit gedaan.
Hij zou jullie het hele land geven en alle bewoners voor jullie uit vernietigen.
Toen werden wij doodsbang voor jullie.
Daarom hebben wij dit gedaan.
En nu zijn wij in uw macht.
Doe met ons wat u goed en juist lijkt.
Doe met ons wat u goed en juist lijkt.
Dat deed hij met hen.
Hij redde hen uit de handen van de Israëlieten, zodat die hen niet doodden.
Hij redde hen uit de handen van de Israëlieten, zodat die hen niet doodden.
Op die dag maakte Jozua hen tot houthakkers en waterdragers voor de gemeenschap en voor het altaar van de HEERE.
Zo is het nog steeds, op de plaats die Hij zou kiezen.
Zo is het nog steeds, op de plaats die Hij zou kiezen.