Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jozua 10

De zon staat stil bij Gibeon

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 8 minuten
Vijf koningen tegen Gibeon
Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen.
Hij had met Ai en haar koning gedaan wat hij met Jericho en haar koning had gedaan.
Hij hoorde ook dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël hadden gesloten en tussen hen woonden.
Toen werden zij heel bang.
Want Gibeon was een grote stad, zo groot als een koninklijke stad, groter dan Ai, en al haar mannen waren sterke strijders.
Daarom stuurde Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, een boodschap naar Hoham, de koning van Hebron, en naar Piram, de koning van Jarmuth.
Hij stuurde die ook naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon:
Kom naar mij toe en help mij Gibeon aan te vallen.
Want die stad heeft vrede gesloten met Jozua en de Israëlieten.

Toen verzamelden zich de vijf koningen van de Amorieten.
Het waren de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmuth, Lachis en Eglon.
Zij trokken met al hun legers op, belegerden Gibeon en vielen de stad aan.
De HEERE strijdt voor Israël
De mannen van Gibeon stuurden een boodschap naar Jozua in het kamp in Gilgal: Laat uw dienaren niet in de steek.
Kom snel naar ons toe, red ons en help ons!
Want alle koningen van de Amorieten uit het bergland hebben zich tegen ons verzameld.

Toen trok Jozua op uit Gilgal met al zijn strijders en alle dappere mannen.
De HEERE had tegen Jozua gezegd: Wees niet bang voor hen, want ik geef hen in jouw macht.
Niemand van hen zal tegen je standhouden.

Jozua overviel hen onverwacht, want hij was de hele nacht vanuit Gilgal opgetrokken.
De HEERE bracht hen in verwarring voor Israël.
Israël bracht hun bij Gibeon een zware nederlaag toe.
Het achtervolgde hen over de weg omhoog naar Beth-Horon, en versloeg hen tot aan Azeka en Makkeda.
Terwijl zij voor Israël vluchtten langs de helling van Beth-Horon, liet de HEERE grote stenen uit de hemel op hen vallen, tot aan Azeka.
Daardoor kwamen zij om.
Er stierven er meer door de hagelstenen dan door het zwaard van de Israëlieten.
Op de dag dat de HEERE de Amorieten aan de Israëlieten overleverde, sprak Jozua tot de HEERE.
Voor de ogen van Israël zei hij: Zon, sta stil boven Gibeon, en jij, maan, boven het dal van Ajalon!
De zon stond stil en de maan bleef staan, tot het volk zich op zijn vijanden gewroken had.
Staat dit niet geschreven in het boek van de Oprechte?
De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich bijna een hele dag niet om onder te gaan.
Er is nooit een dag geweest als deze, niet ervoor en niet erna, dat de HEERE zo naar de stem van een mens luisterde.
Want de HEERE streed voor Israël.
Daarna keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp in Gilgal.
De vijf koningen in de grot
Maar de vijf koningen waren gevlucht en hadden zich verstopt in de grot bij Makkeda.
Jozua kreeg het bericht: De vijf koningen zijn gevonden.
Zij hebben zich verstopt in de grot bij Makkeda.

Jozua zei: Rol grote stenen voor de ingang van de grot en zet er mannen bij om hen te bewaken.
Maar blijf zelf niet staan.
Achtervolg jullie vijanden en val hun achterhoede aan.
Laat hen hun steden niet bereiken, want de HEERE, jullie God, heeft hen in jullie macht gegeven.

Jozua en de Israëlieten brachten hun een zware nederlaag toe, tot zij bijna allemaal vernietigd waren.
Alleen een paar overlevenden bereikten de versterkte steden.
Toen keerde het hele volk behouden terug naar Jozua in het kamp bij Makkeda.
Niemand durfde nog een woord tegen de Israëlieten te zeggen.
Daarna zei Jozua: Open de ingang van de grot en breng die vijf koningen uit de grot naar mij toe.
Zo deden zij.
Zij brachten de vijf koningen uit de grot naar hem toe.
Het waren de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmuth, Lachis en Eglon.
Toen de koningen bij Jozua waren gebracht, riep Jozua alle mannen van Israël bij zich.
Hij zei tegen de aanvoerders van de strijders die met hem waren meegetrokken: Kom hier en zet je voet op de nek van deze koningen.
Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek.
Jozua zei tegen hen: Wees niet bang en schrik niet.
Wees sterk en moedig.
Want zo zal de HEERE doen met al jullie vijanden tegen wie jullie strijden.

Daarna doodde Jozua hen en hing hen op aan vijf palen.
Zij bleven tot de avond aan de palen hangen.
Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de palen te halen.
Zij gooiden hen in de grot waarin zij zich verstopt hadden, en legden grote stenen voor de ingang.
Die liggen er nog steeds.
Het zuiden veroverd
Op diezelfde dag nam Jozua Makkeda in en doodde de stad en haar koning met het zwaard.
Hij sloeg de koning en alle inwoners met de ban en liet niemand in leven.
Met de koning van Makkeda deed hij wat hij met de koning van Jericho gedaan had.
Toen trok Jozua met heel Israël van Makkeda naar Libna en viel Libna aan.
De HEERE gaf ook die stad met haar koning in de macht van Israël.
Hij doodde alle inwoners met het zwaard en liet niemand in leven.
Met haar koning deed hij wat hij met de koning van Jericho gedaan had.
Toen trok Jozua met heel Israël van Libna naar Lachis.
Hij belegerde de stad en viel haar aan.
De HEERE gaf Lachis in de macht van Israël.
Op de tweede dag nam hij de stad in en doodde alle inwoners met het zwaard, precies zoals hij met Libna gedaan had.
Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lachis te helpen.
Maar Jozua versloeg hem en zijn volk, tot er niemand van over was.
Jozua trok met heel Israël van Lachis naar Eglon.
Zij belegerden de stad en vielen haar aan.
Nog diezelfde dag namen zij haar in en doodden alle inwoners met het zwaard.
Hij sloeg hen die dag met de ban, precies zoals hij met Lachis gedaan had.
Daarna trok Jozua met heel Israël van Eglon omhoog naar Hebron.
Zij vielen de stad aan.
Zij namen haar in en doodden haar koning, de dorpen eromheen en alle inwoners met het zwaard.
Hij liet niemand in leven, net als bij Eglon.
Hij sloeg de stad en alle inwoners met de ban.
Toen keerde Jozua met heel Israël om naar Debir en viel de stad aan.
Hij nam haar in, met haar koning en de dorpen eromheen.
Zij doodden hen met het zwaard en sloegen alle inwoners met de ban.
Hij liet niemand in leven.
Met Debir en haar koning deed hij wat hij met Hebron en met Libna en hun koningen gedaan had.
Zo versloeg Jozua het hele land: het bergland, het zuiden, het laagland en de hellingen, met al hun koningen.
Hij liet niemand in leven.
Hij sloeg alles wat adem had met de ban, zoals de HEERE, de God van Israël, had opgedragen.
Jozua versloeg hen van Kades-Barnea tot aan Gaza, en het hele land Gosen tot aan Gibeon.
Al deze koningen en hun land nam Jozua in één veldtocht in.
Want de HEERE, de God van Israël, streed voor Israël.
Daarna keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp in Gilgal.

Download hoofdstuk als tekstbestand