Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jozua 8
Ai ingenomen, en het altaar op de Ebal
Het plan tegen Ai
De HEERE zei tegen Jozua: Wees niet bang en schrik niet.
Neem alle strijders mee, maak je klaar en trek op naar Ai.
Kijk, ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in jouw macht.
Neem alle strijders mee, maak je klaar en trek op naar Ai.
Kijk, ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in jouw macht.
Doe met Ai en haar koning wat je met Jericho en haar koning gedaan hebt.
Alleen mogen jullie de buit en het vee dit keer voor jezelf houden.
Leg aan de achterkant van de stad een hinderlaag.
Alleen mogen jullie de buit en het vee dit keer voor jezelf houden.
Leg aan de achterkant van de stad een hinderlaag.
Jozua maakte zich met alle strijders klaar om naar Ai op te trekken.
Hij koos 30.000 dappere strijders uit en stuurde hen 's nachts op pad.
Hij koos 30.000 dappere strijders uit en stuurde hen 's nachts op pad.
Hij gaf hun dit bevel: Let op, jullie moeten een hinderlaag leggen aan de achterkant van de stad.
Blijf niet te ver van de stad en houd je allemaal klaar.
Blijf niet te ver van de stad en houd je allemaal klaar.
Ik trek met al het volk dat bij mij is, naar de stad toe.
Als zij ons dan tegemoet komen zoals de eerste keer, vluchten wij voor hen.
Als zij ons dan tegemoet komen zoals de eerste keer, vluchten wij voor hen.
Dan achtervolgen zij ons, tot wij hen van de stad hebben weggelokt.
Want zij zullen denken: Ze vluchten voor ons, net als de eerste keer.
Zo vluchten wij voor hen.
Want zij zullen denken: Ze vluchten voor ons, net als de eerste keer.
Zo vluchten wij voor hen.
Dan komen jullie uit de hinderlaag tevoorschijn en nemen de stad in.
Want de HEERE, jullie God, geeft haar in jullie macht.
Want de HEERE, jullie God, geeft haar in jullie macht.
Als jullie de stad hebben ingenomen, steek haar dan in brand.
Doe wat de HEERE gezegd heeft.
Let op, dit is mijn bevel aan jullie.
Doe wat de HEERE gezegd heeft.
Let op, dit is mijn bevel aan jullie.
Zo stuurde Jozua hen op pad.
Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag, tussen Bethel en Ai, ten westen van Ai.
Maar Jozua bleef die nacht bij het volk.
Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag, tussen Bethel en Ai, ten westen van Ai.
Maar Jozua bleef die nacht bij het volk.
De volgende morgen stond Jozua vroeg op en monsterde het volk.
Toen trok hij met de oudsten van Israël voor het volk uit naar Ai.
Toen trok hij met de oudsten van Israël voor het volk uit naar Ai.
Alle strijders die bij hem waren, trokken op en kwamen tegenover de stad.
Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai.
Er lag een dal tussen hem en Ai.
Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai.
Er lag een dal tussen hem en Ai.
Hij nam ongeveer 5.000 man en legde hen in een hinderlaag tussen Bethel en Ai, ten westen van de stad.
Zo stelden zij het volk op: het hele leger ten noorden van de stad, en de hinderlaag ten westen ervan.
Die nacht ging Jozua het dal in.
Die nacht ging Jozua het dal in.
Ai valt
Toen de koning van Ai dat zag, maakten hij en de mannen van de stad zich haastig en vroeg klaar.
Hij trok met al zijn volk Israël tegemoet om te strijden, op de afgesproken plaats bij de vlakte.
Hij wist niet dat er aan de achterkant van de stad een hinderlaag lag.
Hij trok met al zijn volk Israël tegemoet om te strijden, op de afgesproken plaats bij de vlakte.
Hij wist niet dat er aan de achterkant van de stad een hinderlaag lag.
Jozua en heel Israël deden alsof zij verslagen werden en vluchtten de weg naar de woestijn op.
Toen werd al het volk in de stad opgeroepen om hen te achtervolgen.
Zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt.
Zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt.
Er bleef in Ai en Bethel geen man achter die niet achter Israël aan ging.
Zij lieten de stad open liggen en achtervolgden Israël.
Zij lieten de stad open liggen en achtervolgden Israël.
Toen zei de HEERE tegen Jozua: Steek de speer in je hand uit naar Ai, want ik geef de stad in jouw macht.
Jozua stak de speer in zijn hand uit naar de stad.
Jozua stak de speer in zijn hand uit naar de stad.
Zodra hij zijn hand uitstak, kwam de hinderlaag snel uit haar schuilplaats.
De mannen renden naar de stad, namen haar in en staken haar meteen in brand.
De mannen renden naar de stad, namen haar in en staken haar meteen in brand.
De mannen van Ai keken om en zagen de rook van de stad naar de hemel opstijgen.
Zij konden geen kant meer op vluchten.
Want het volk dat naar de woestijn gevlucht was, keerde zich nu tegen hun achtervolgers.
Zij konden geen kant meer op vluchten.
Want het volk dat naar de woestijn gevlucht was, keerde zich nu tegen hun achtervolgers.
Jozua en heel Israël zagen dat de hinderlaag de stad had ingenomen en dat de rook opsteeg.
Toen keerden zij om en versloegen de mannen van Ai.
Toen keerden zij om en versloegen de mannen van Ai.
Ook de mannen uit de stad kwamen hen tegemoet, zodat de mannen van Ai midden tussen de Israëlieten in zaten, van twee kanten.
Zij versloegen hen tot er niemand meer over was of ontkwam.
Zij versloegen hen tot er niemand meer over was of ontkwam.
Maar de koning van Ai namen zij levend gevangen en brachten hem naar Jozua.
Israël had alle inwoners van Ai gedood op het veld en in de woestijn waar zij hen achtervolgd hadden.
Allen waren door het zwaard gevallen tot de laatste man.
Toen keerde heel Israël terug naar Ai en doodde ook daar iedereen met het zwaard.
Allen waren door het zwaard gevallen tot de laatste man.
Toen keerde heel Israël terug naar Ai en doodde ook daar iedereen met het zwaard.
Op die dag kwamen alle inwoners van Ai om, 12.000 mannen en vrouwen.
Jozua trok zijn hand met de speer niet terug voordat alle inwoners van Ai met de ban geslagen waren.
Alleen het vee en de buit van die stad namen de Israëlieten voor zichzelf, zoals de HEERE Jozua had opgedragen.
Jozua brandde Ai plat en maakte er voorgoed een puinhoop van.
Zo ligt het er nog steeds.
Zo ligt het er nog steeds.
De koning van Ai hing hij tot de avond op aan een paal.
Bij zonsondergang liet Jozua zijn lichaam van de paal halen.
Zij gooiden het bij de ingang van de stadspoort neer en legden er een grote steenhoop op, die er nog steeds ligt.
Bij zonsondergang liet Jozua zijn lichaam van de paal halen.
Zij gooiden het bij de ingang van de stadspoort neer en legden er een grote steenhoop op, die er nog steeds ligt.
De wet voorgelezen bij de Ebal
Toen bouwde Jozua een altaar voor de HEERE, de God van Israël, op de berg Ebal.
Hij deed dat zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, de Israëlieten had opgedragen, en zoals het in het wetboek van Mozes staat.
Het was een altaar van onbehouwen stenen, die met geen ijzer bewerkt waren.
Zij brachten er brandoffers en dankoffers voor de HEERE op.
Het was een altaar van onbehouwen stenen, die met geen ijzer bewerkt waren.
Zij brachten er brandoffers en dankoffers voor de HEERE op.
Daar schreef hij in het bijzijn van de Israëlieten een afschrift van de wet van Mozes op de stenen.
Heel Israël, met zijn oudsten, bestuurders en rechters, stond aan weerszijden van de ark.
Zij stonden tegenover de Levitische priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen.
Vreemdelingen en geboren Israëlieten stonden er samen.
De ene helft stond aan de kant van de berg Gerizim, de andere helft aan de kant van de berg Ebal.
Zo had Mozes, de dienaar van de HEERE, het bevolen, om eerst het volk Israël te zegenen.
Zij stonden tegenover de Levitische priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen.
Vreemdelingen en geboren Israëlieten stonden er samen.
De ene helft stond aan de kant van de berg Gerizim, de andere helft aan de kant van de berg Ebal.
Zo had Mozes, de dienaar van de HEERE, het bevolen, om eerst het volk Israël te zegenen.
Daarna las hij alle woorden van de wet voor, de zegen en de vloek, precies zoals het in het wetboek staat.
Er was geen woord van alles wat Mozes opgedragen had, dat Jozua niet voorlas aan de hele gemeenschap van Israël.
Ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden, hoorden het.
Ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden, hoorden het.