Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jozua 12

De verslagen koningen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Koningen ten oosten van de Jordaan
Dit zijn de koningen van het land die de Israëlieten verslagen hebben.
Zij namen hun land in bezit aan de oostkant van de Jordaan.
Het liep van de beek Arnon tot de berg Hermon, met de hele vlakte in het oosten.
Sihon, de koning van de Amorieten, woonde in Hesbon.
Hij heerste vanaf Aroër aan de oever van de beek Arnon, en over het midden van het dal.
Zijn gebied omvatte de helft van Gilead, tot aan de beek Jabbok, de grens van de Ammonieten.
Hij heerste ook over de vlakte tot aan het meer Kinneroth in het oosten.
Zijn gebied liep tot aan de zee van de vlakte, de Zoutzee, in het oosten, richting Beth-Jesimoth.
In het zuiden reikte het tot onder de hellingen van de Pisga.
Daarnaast was er het gebied van Og, de koning van Basan.
Hij was een van de laatsten van de reuzen en woonde in Astharoth en Edreï.
Hij heerste over de berg Hermon, over Salcha en heel Basan, tot aan de grens van de Gesurieten en de Maächathieten.
Hij heerste ook over de helft van Gilead, tot aan de grens van Sihon, de koning van Hesbon.
Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten hadden hen verslagen.
Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat land in bezit aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse.
Koningen ten westen van de Jordaan
Dit zijn de koningen van het land die Jozua en de Israëlieten verslagen hebben aan de westkant van de Jordaan.
Hun gebied liep van Baäl-Gad in het dal van de Libanon tot aan de kale berg die oploopt naar Seïr.
Jozua gaf dat land in bezit aan de stammen van Israël, verdeeld naar hun stammen.
Het lag in het bergland, het laagland, de vlakte, de hellingen, de woestijn en het zuiden.
Het was het land van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten.
Het waren: de koning van Jericho, één; de koning van Ai, bij Bethel, één;
de koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één;
de koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één;
de koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één;
de koning van Debir, één; de koning van Geder, één;
de koning van Horma, één; de koning van Arad, één;
de koning van Libna, één; de koning van Adullam, één;
de koning van Makkeda, één; de koning van Bethel, één;
de koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één;
de koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één;
de koning van Madon, één; de koning van Hazor, één;
de koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één;
de koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één;
de koning van Kedes, één; de koning van Jokneam bij de Karmel, één;
de koning van Dor, in Nafath-Dor, één; de koning van de volken bij Gilgal, één;
de koning van Tirza, één.
In totaal waren het 31 koningen.

Download hoofdstuk als tekstbestand