Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Job 32

Elihu neemt het woord

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 2 minuten
De woede van Elihu
Toen hielden de drie mannen op met antwoorden, omdat Job in eigen ogen rechtvaardig was.
Toen werd Elihu woedend, de zoon van Baracheël uit Buz, uit de familie van Ram.
Hij werd woedend op Job, omdat die zichzelf meer in zijn recht stelde dan God.
Hij werd ook woedend op de drie vrienden.
Zij hadden geen antwoord gevonden en verklaarden Job toch schuldig.
Elihu had gewacht tot Job uitgesproken was, omdat de anderen ouder waren dan hij.
Toen Elihu zag dat die drie mannen geen antwoord meer hadden, werd hij woedend.
Niet de jaren maken wijs
Elihu, de zoon van Baracheël uit Buz, zei: Ik ben jong en u bent oud.
Daarom was ik bang en durfde ik u mijn mening niet te geven.

Ik dacht: Laten de jaren spreken.
Laat een lang leven wijsheid leren.

Maar het is de geest in de mens, de adem van de Almachtige, die inzicht geeft.
Niet de ouderen zijn per se wijs.
Niet de bejaarden begrijpen altijd het recht.

Daarom zeg ik: luister naar mij.
Ook ik zal mijn mening geven.

Kijk, ik heb op uw woorden gewacht.
Ik heb geluisterd naar uw redeneringen terwijl u naar woorden zocht.

Ik heb goed op u gelet.
Maar niemand van u heeft Job weerlegd of zijn woorden beantwoord.

Zeg dan niet: Wij hebben de wijsheid gevonden.
God moet hem verslaan, geen mens.

Tegen mij heeft hij zijn woorden niet gericht.
Ik zal hem dan ook niet met uw woorden antwoorden.

Ik moet spreken
Zij staan verslagen en antwoorden niet meer.
De woorden zijn hun ontnomen.

Moet ik wachten terwijl zij niets zeggen?
Zij staan stil en antwoorden niet meer.

Ook ik zal mijn deel antwoorden.
Ook ik zal mijn mening geven.

Want ik zit vol woorden.
De geest in mijn binnenste dringt aan.

Kijk, mijn binnenste is als wijn zonder luchtgat.
Als nieuwe wijnzakken staat het op barsten.

Ik moet spreken om lucht te krijgen.
Ik zal mijn lippen openen en antwoorden.

Ik zal niemand voortrekken en niemand vleien.
Want ik kan niet vleien.
Anders zou mijn Maker mij snel wegnemen.

Download hoofdstuk als tekstbestand