Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Job 30

Maar nu lachen zij mij uit

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Nu lachen zij mij uit
Maar nu lachen mensen mij uit die jonger zijn dan ik.
Hun vaders vond ik niet goed genoeg om bij de honden van mijn kudde te zetten.

Wat had ik aan de kracht van hun handen?
Alle veerkracht was uit hen verdwenen.

Door gebrek en honger waren zij uitgeteerd.
Zij knaagden aan de dorre steppe, in het donkere, verwoeste land.

Zij plukten zoutkruid tussen de struiken.
Wortels van bremstruiken waren hun brood.

Zij werden uit de samenleving weggejaagd.
Men schreeuwde hen na als achter een dief.

Zij moesten wonen in de kloven van de dalen, in holen in de grond en tussen de rotsen.
Tussen de struiken schreeuwden zij.
Onder de netels kropen zij bij elkaar.

Zij waren kinderen van dwazen, kinderen zonder naam.
Zij waren het land uit geslagen.

En nu ben ik hun spotlied geworden.
Ik ben een woord waarmee zij schelden.

Zij hebben een afkeer van mij en blijven ver weg.
Zij sparen het spuug niet voor mijn gezicht.

God heeft mijn boogpees losgemaakt en mij vernederd.
Daarom laten zij zich tegenover mij gaan.

Aan mijn rechterhand staat het gespuis op.
Zij stoten mijn voeten weg en banen hun aanvalswegen tegen mij.

Zij breken mijn pad af en helpen mee aan mijn ondergang.
Niemand houdt hen tegen.

Zij komen aan door een brede bres.
Onder het puin rollen zij op mij af.

Verschrikkingen keren zich tegen mij.
Mijn waardigheid wordt weggeblazen als door de wind.
Mijn geluk is voorbijgedreven als een wolk.

Ik roep, maar U antwoordt niet
Nu vloeit mijn leven uit mij weg.
Dagen van ellende houden mij vast.

's Nachts doorboort Hij mijn botten.
De pijn die aan mij knaagt, gaat nooit slapen.

Met grote kracht grijpt Hij mijn kleed.
Hij knelt mij als de kraag van mijn hemd.

Hij heeft mij in de modder gegooid.
Ik ben als stof en as geworden.

Ik roep U om hulp, maar U antwoordt niet.
Ik sta voor U, maar U kijkt niet naar mij.

U bent wreed voor mij geworden.
Met de kracht van uw hand keert U zich tegen mij.

U tilt mij op in de wind en laat mij erop rijden.
U laat mij vergaan in de storm.

Ik weet dat U mij naar de dood brengt, naar het huis waar al wat leeft samenkomt.
Mijn harp is een klaaglied geworden
Toch steekt men in een puinhoop zijn hand niet uit naar wie om hulp roept in zijn ondergang.
Huilde ik niet om wie het moeilijk had?
Was ik niet verdrietig om wie arm was?

Toch kwam er kwaad toen ik het goede verwachtte.
Er kwam donkerheid toen ik op licht hoopte.

Mijn binnenste kookt en komt niet tot rust.
Dagen van ellende kwamen mij tegemoet.

Ik loop rond in het zwart, maar niet door de zon.
Ik sta op in de vergadering en schreeuw om hulp.

Ik ben een broer van de jakhalzen geworden, een metgezel van de struisvogels.
Mijn huid is zwart geworden en laat los.
Mijn botten gloeien van de koorts.

Daarom is mijn harp een klaaglied geworden en mijn fluit een stem van huilende mensen.

Download hoofdstuk als tekstbestand