Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Job 29

Zoals het vroeger was

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Toen God mij bewaarde
Job ging verder met zijn betoog en zei:
Was ik maar weer als in de maanden van vroeger, in de dagen waarin God mij bewaarde.
Toen liet Hij zijn lamp boven mijn hoofd schijnen.
Bij zijn licht liep ik door het donker.

Zo was ik in de bloei van mijn leven, toen God mijn tent in vertrouwen nam.
Toen was de Almachtige nog bij mij, en mijn kinderen waren om mij heen.
Toen waste ik mijn voeten in room, en de rots goot stromen olie voor mij uit.
Als ik naar de poort van de stad ging en mijn plaats op het plein innam,
trokken jonge mannen zich terug als zij mij zagen, en oude mannen stonden op.
Vooraanstaanden hielden hun woorden in en legden hun hand op hun mond.
De stem van de leiders zweeg, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
Ik hielp wie geen helper had
Wie mij hoorde, prees mij gelukkig.
Wie mij zag, sprak goed van mij.

Want ik redde de arme die om hulp riep, en het weeskind dat geen helper had.
De zegen van wie omkwam kwam op mij.
Het hart van de weduwe liet ik weer zingen.

Ik trok gerechtigheid aan als een kleed.
Mijn recht was mijn mantel en mijn tulband.

Voor blinden was ik ogen, en voor kreupelen was ik voeten.
Ik was een vader voor wie arm was.
De zaak van een onbekende zocht ik uit.

Ik brak de kaken van wie onrecht deed en rukte de prooi uit zijn tanden.
Ik zat vooraan als een koning
Ik dacht: Ik zal in mijn eigen nest sterven, met dagen zo talrijk als het zand.
Mijn wortel reikte tot het water, en de dauw bleef 's nachts op mijn takken liggen.
Mijn eer bleef bij mij fris, en mijn boog werd in mijn hand steeds weer nieuw.
Men luisterde naar mij en wachtte af.
Men zweeg om mijn raad te horen.

Na mijn woord zei niemand meer iets.
Mijn woorden drupten op hen neer.

Zij wachtten op mij als op de regen.
Zij sperden hun mond open als naar de late regen.

Als ik naar hen lachte, konden zij het niet geloven.
Het licht van mijn gezicht lieten zij niet vallen.

Ik koos hun weg en zat vooraan.
Ik woonde als een koning bij zijn troepen, als iemand die treurenden troost.

Download hoofdstuk als tekstbestand