Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 9
Was mijn hoofd maar water
Een trouweloze hoop
Was mijn hoofd maar water en mijn oog een bron van tranen!
Dan zou ik dag en nacht huilen om de gesneuvelden van de dochter van mijn volk.
Dan zou ik dag en nacht huilen om de gesneuvelden van de dochter van mijn volk.
Had ik maar een hut in de woestijn voor reizigers!
Dan zou ik mijn volk verlaten en bij hen weggaan.
Want zij zijn allemaal overspelers, een troep trouwelozen.
Dan zou ik mijn volk verlaten en bij hen weggaan.
Want zij zijn allemaal overspelers, een troep trouwelozen.
Zij spannen hun tong als een boog voor de leugen.
Zij worden machtig in het land, maar niet door waarheid.
Zij gaan van kwaad tot erger, en mij kennen zij niet, zegt de HEERE.
Zij worden machtig in het land, maar niet door waarheid.
Zij gaan van kwaad tot erger, en mij kennen zij niet, zegt de HEERE.
Pas op voor je vriend en vertrouw geen broer.
Want elke broer bedriegt en elke vriend gaat rond met roddel.
Want elke broer bedriegt en elke vriend gaat rond met roddel.
Zij bedriegen elkaar en spreken de waarheid niet.
Zij leren hun tong leugens spreken en matten zich af met verkeerd doen.
Zij leren hun tong leugens spreken en matten zich af met verkeerd doen.
Je woont midden in bedrog.
Door bedrog weigeren zij mij te kennen, zegt de HEERE.
Door bedrog weigeren zij mij te kennen, zegt de HEERE.
Daarom zegt de HEERE van de legermachten: kijk, ik zal hen smelten en beproeven.
Wat kan ik anders doen met de dochter van mijn volk?
Wat kan ik anders doen met de dochter van mijn volk?
Hun tong is een moordende pijl die bedrog spreekt.
Met de mond spreekt ieder vriendelijk tegen zijn naaste, maar van binnen legt hij een hinderlaag.
Met de mond spreekt ieder vriendelijk tegen zijn naaste, maar van binnen legt hij een hinderlaag.
Zou ik dit niet bezoeken?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
Ik zal huilen en klagen over de bergen en een klaaglied zingen over de weiden in de woestijn.
Want zij zijn verbrand, zodat niemand er doorheen trekt.
Men hoort er geen vee, en vogels en dieren zijn weggetrokken.
Want zij zijn verbrand, zodat niemand er doorheen trekt.
Men hoort er geen vee, en vogels en dieren zijn weggetrokken.
Ik zal Jeruzalem tot steenhopen maken, een verblijf voor jakhalzen.
De steden van Juda maak ik tot een woestenij zonder inwoners.
De steden van Juda maak ik tot een woestenij zonder inwoners.
Roep de klaagvrouwen
Wie is zo wijs dat hij dit begrijpt?
Tegen wie heeft de mond van de HEERE gesproken, zodat hij het kan vertellen?
Waarom is het land vergaan en verbrand als een woestijn, zodat niemand erdoorheen trekt?
Tegen wie heeft de mond van de HEERE gesproken, zodat hij het kan vertellen?
Waarom is het land vergaan en verbrand als een woestijn, zodat niemand erdoorheen trekt?
De HEERE zei: Zij hebben mijn wet verlaten die ik hun gegeven heb.
Zij hebben niet naar mijn stem geluisterd en er niet naar geleefd.
Zij hebben niet naar mijn stem geluisterd en er niet naar geleefd.
Zij volgden hun eigen koppige hart en de Baäls, zoals hun vaderen hun geleerd hadden.
Daarom zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: kijk, ik zal dit volk alsem te eten geven en gifwater te drinken.
Ik zal hen verstrooien onder volken die zij niet kenden, zij en hun vaderen.
Ik stuur het zwaard achter hen aan tot ik hen vernietigd heb.
Ik stuur het zwaard achter hen aan tot ik hen vernietigd heb.
Dit zegt de HEERE van de legermachten: let op en roep de klaagvrouwen, laat hen komen.
Stuur naar de kundige vrouwen, laat hen komen.
Stuur naar de kundige vrouwen, laat hen komen.
Laat hen zich haasten en over ons een klaaglied aanheffen, zodat onze ogen tranen en onze oogleden van water stromen.
Want uit Sion klinkt een klaagstem: hoe zijn wij verwoest!
Wij staan diep beschaamd, want wij hebben het land verlaten en zij hebben onze woningen omvergeworpen.
Wij staan diep beschaamd, want wij hebben het land verlaten en zij hebben onze woningen omvergeworpen.
Hoor dan het woord van de HEERE, vrouwen, en laat je oor het woord van Zijn mond ontvangen.
Leer je dochters klagen en elkaar klaagliederen zingen.
Leer je dochters klagen en elkaar klaagliederen zingen.
Want de dood is door onze vensters geklommen en onze paleizen binnengekomen.
Hij roeit de kinderen op straat uit en de jonge mannen op de pleinen.
Hij roeit de kinderen op straat uit en de jonge mannen op de pleinen.
Zeg: dit zegt de HEERE.
De lijken van mensen zullen liggen als mest op het open veld, als een bundel achter de maaier die niemand opraapt.
De lijken van mensen zullen liggen als mest op het open veld, als een bundel achter de maaier die niemand opraapt.
Dit zegt de HEERE: laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, en een sterke niet op zijn kracht.
Laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom.
Laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom.
Wie zich beroemt, moet zich hierop beroemen: dat hij begrijpt en mij kent.
Ik ben de HEERE, die goedheid, recht en gerechtigheid doet op aarde.
Daarin heb ik vreugde, zegt de HEERE.
Ik ben de HEERE, die goedheid, recht en gerechtigheid doet op aarde.
Daarin heb ik vreugde, zegt de HEERE.
Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat ik iedereen bezoek die wel besneden is maar toch onbesneden.
Dat gaat over Egypte, Juda, Edom, de Ammonieten, Moab en allen met kaalgeschoren slapen die in de woestijn wonen.
Want alle volken zijn onbesneden, en heel het huis van Israël is onbesneden van hart.
Want alle volken zijn onbesneden, en heel het huis van Israël is onbesneden van hart.