Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 10

De goden van de volken

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Zij kunnen niet spreken
Hoor het woord dat de HEERE tot jullie spreekt, huis van Israël.
Dit zegt de HEERE: leer de weg van de volken niet.
Schrik niet van de tekenen aan de hemel, ook al schrikken de volken daarvan.

Want de gebruiken van de volken zijn leegte.
Het is hout, uit het bos gehakt, bewerkt door de bijl van een vakman.

Men versiert het met zilver en goud en zet het vast met spijkers en hamers, zodat het niet wankelt.
Zij staan als een vogelverschrikker in een komkommerveld en kunnen niet spreken.
Zij moeten gedragen worden, want lopen kunnen zij niet.
Wees niet bang voor hen, want zij doen geen kwaad en ook geen goed.

Niemand is als U, HEERE.
U bent groot en Uw naam is groot in kracht.

Wie zou geen ontzag voor U hebben, Koning van de volken?
Dat komt U toe.
Want onder alle wijzen van de volken en in al hun koninkrijken is niemand als U.

In één ding zijn zij dom en dwaas: van een stuk hout valt niets te leren dan leegte.
Geplet zilver komt uit Tarsis en goud uit Ufaz, werk van een vakman en van een goudsmid.
Hun kleding is blauwpurper en roodpurper; het is allemaal werk van kunstenaars.
Maar de HEERE God is de waarheid.
Hij is de levende God en een eeuwige Koning.
Voor Zijn woede beeft de aarde, en de volken kunnen Zijn toorn niet verdragen.
Dit moeten jullie tegen hen zeggen.
De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen verdwijnen van de aarde en van onder deze hemel.
Hij heeft de aarde gemaakt door Zijn kracht, de wereld gegrondvest door Zijn wijsheid en de hemel uitgespannen door Zijn verstand.
Als Hij Zijn stem laat horen, bruist het water in de hemel.
Hij laat dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij maakt bliksem bij de regen en laat de wind uit Zijn schatkamers komen.
Ieder mens staat dom te kijken en weet niets.
Elke goudsmid wordt beschaamd om zijn beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er zit geen adem in.
Het is leegte, bedrieglijk werk.
Op de dag van hun bezoeking zullen zij verdwijnen.
Maar het deel van Jakob is anders, want Hij is de Formeerder van alles.
Israël is de stam van Zijn erfdeel.
HEERE van de legermachten is Zijn naam.
Mijn tent is verwoest
Raap je bundel van de grond, jij die in de belegerde stad woont.
Want dit zegt de HEERE: kijk, ik slinger de inwoners van het land deze keer weg.
Ik zal hen benauwen, zodat zij het merken.

Wee mij om mijn breuk!
Mijn wond is pijnlijk.
Ik had gedacht: dit is een ziekte die ik wel kan dragen.

Mijn tent is verwoest en al mijn touwen zijn gebroken.
Mijn kinderen zijn van mij weggegaan en zij zijn er niet meer.
Niemand zet mijn tent nog op of spant mijn kleden uit.

Want de herders zijn dom geworden en hebben de HEERE niet gezocht.
Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld en is hun hele kudde verstrooid.

Kijk, er komt een bericht en een groot gedreun uit het land van het noorden.
De steden van Juda worden een woestenij, een verblijf voor jakhalzen.
Ik weet, HEERE, dat de mens zijn weg niet in eigen hand heeft.
Geen mens die loopt, bepaalt zelf zijn stap.

Straf mij, HEERE, maar met mate.
Doe het niet in Uw toorn, anders maakt U mij tot niets.

Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen en over de families die Uw naam niet aanroepen.
Want zij hebben Jakob opgegeten en verslonden en zijn woning verwoest.

Download hoofdstuk als tekstbestand