Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 7
De tempel van de HEERE
Sta in de poort
Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam.
Hij zei: Ga in de poort van het huis van de HEERE staan en roep daar dit woord uit.
Zeg: hoor het woord van de HEERE, heel Juda, jullie die door deze poorten binnengaan om de HEERE te aanbidden.
Zeg: hoor het woord van de HEERE, heel Juda, jullie die door deze poorten binnengaan om de HEERE te aanbidden.
Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël.
Maak je wegen en je daden goed, dan laat ik jullie op deze plaats wonen.
Maak je wegen en je daden goed, dan laat ik jullie op deze plaats wonen.
Vertrouw niet op leugenwoorden als: dit is de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE.
Maar maak echt je wegen en je daden goed.
Doe werkelijk recht tussen de een en de ander.
Doe werkelijk recht tussen de een en de ander.
Onderdruk de vreemdeling, de wees en de weduwe niet.
Vergiet op deze plaats geen onschuldig bloed en loop geen andere goden achterna, tot je eigen schade.
Vergiet op deze plaats geen onschuldig bloed en loop geen andere goden achterna, tot je eigen schade.
Dan laat ik jullie op deze plaats wonen, in het land dat ik jullie vaderen gegeven heb, van eeuw tot eeuw.
Kijk, jullie vertrouwen op leugenwoorden die niets opleveren.
Zouden jullie stelen, moorden en overspel plegen, vals zweren, wierook branden voor Baäl en andere goden volgen die jullie niet kennen?
En dan komen jullie voor mijn aangezicht staan in dit huis dat mijn naam draagt.
Zeggen jullie dan: wij zijn gered, om al deze gruwelen te doen?
Zeggen jullie dan: wij zijn gered, om al deze gruwelen te doen?
Is dit huis dat mijn naam draagt in jullie ogen een rovershol?
Kijk, ik heb het ook gezien, zegt de HEERE.
Kijk, ik heb het ook gezien, zegt de HEERE.
Ga naar mijn plaats in Silo, waar ik eerst mijn naam liet wonen.
Kijk wat ik daarmee gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël.
Kijk wat ik daarmee gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël.
En nu doen jullie dit alles, zegt de HEERE.
Steeds opnieuw sprak ik tot jullie, maar jullie luisterden niet.
Ik riep, maar jullie antwoordden niet.
Steeds opnieuw sprak ik tot jullie, maar jullie luisterden niet.
Ik riep, maar jullie antwoordden niet.
Daarom zal ik met dit huis dat mijn naam draagt, waarop jullie vertrouwen, hetzelfde doen als met Silo.
Ook met deze plaats, die ik jullie en jullie vaderen gegeven heb.
Ook met deze plaats, die ik jullie en jullie vaderen gegeven heb.
Ik zal jullie van mijn aangezicht wegwerpen, zoals ik al jullie verwanten, heel het nageslacht van Efraïm, weggeworpen heb.
De koningin van de hemel
Bid jij niet voor dit volk.
Hef geen klacht of gebed voor hen op en dring niet bij mij aan, want ik zal je niet horen.
Hef geen klacht of gebed voor hen op en dring niet bij mij aan, want ik zal je niet horen.
Zie je niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?
De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel.
Zij brengen drankoffers aan andere goden om mij verdriet te doen.
Zij brengen drankoffers aan andere goden om mij verdriet te doen.
Doen zij mij verdriet?
zegt de HEERE.
Doen zij het niet zichzelf aan, tot hun eigen schande?
zegt de HEERE.
Doen zij het niet zichzelf aan, tot hun eigen schande?
Daarom zegt de Heere HEERE: kijk, mijn toorn en mijn woede worden over deze plaats uitgestort.
Zij komen over mens en dier, over de bomen van het veld en de vrucht van het land.
Het zal branden en niet geblust worden.
Zij komen over mens en dier, over de bomen van het veld en de vrucht van het land.
Het zal branden en niet geblust worden.
Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: voeg je brandoffers bij je slachtoffers en eet het vlees maar op.
Want toen ik jullie vaderen uit Egypte leidde, sprak ik niet met hen over brandoffers en slachtoffers en gaf ik daarover geen gebod.
Maar dit heb ik hun geboden: luister naar mijn stem, dan zal ik jullie God zijn en zullen jullie mijn volk zijn.
Ga helemaal de weg die ik jullie wijs, dan zal het jullie goed gaan.
Ga helemaal de weg die ik jullie wijs, dan zal het jullie goed gaan.
Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet.
Zij gingen hun eigen gang, naar het goeddunken van hun boze hart, en gingen achteruit in plaats van vooruit.
Zij gingen hun eigen gang, naar het goeddunken van hun boze hart, en gingen achteruit in plaats van vooruit.
Van de dag af dat jullie vaderen uit Egypte trokken tot vandaag toe stuurde ik al mijn knechten, de profeten, dagelijks en steeds opnieuw.
Maar zij luisterden niet naar mij en neigden hun oor niet.
Zij maakten hun nek hard en deden het nog erger dan hun vaderen.
Zij maakten hun nek hard en deden het nog erger dan hun vaderen.
Het dal van Tofeth
Ook als jij al deze woorden tegen hen zegt, zullen zij niet naar je luisteren.
Je zult hen roepen, maar zij antwoorden je niet.
Je zult hen roepen, maar zij antwoorden je niet.
Zeg daarom tegen hen: dit is het volk dat niet luistert naar de stem van de HEERE, zijn God, en geen tucht aanneemt.
De waarheid is verdwenen en weggevaagd uit hun mond.
De waarheid is verdwenen en weggevaagd uit hun mond.
Scheer je haar af, Jeruzalem, en gooi het weg.
Hef een klaaglied aan op de kale hoogten, want de HEERE heeft het geslacht van Zijn woede verworpen en verlaten.
Hef een klaaglied aan op de kale hoogten, want de HEERE heeft het geslacht van Zijn woede verworpen en verlaten.
Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn ogen, zegt de HEERE.
Zij hebben hun gruwelen in het huis gezet dat mijn naam draagt en het zo onrein gemaakt.
Zij hebben hun gruwelen in het huis gezet dat mijn naam draagt en het zo onrein gemaakt.
Zij bouwden de offerhoogten van Tofeth in het dal van de zoon van Hinnom, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden.
Dat heb ik niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen.
Dat heb ik niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen.
Daarom komen er dagen, zegt de HEERE, dat het niet meer Tofeth of dal van de zoon van Hinnom zal heten, maar Moorddal.
Men zal in Tofeth begraven omdat er geen plaats meer is.
Men zal in Tofeth begraven omdat er geen plaats meer is.
De lijken van dit volk zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en de dieren van het land, en niemand zal ze verjagen.
Ik zal uit de steden van Juda en de straten van Jeruzalem de stem van vreugde en blijdschap laten ophouden.
Ook de stem van bruidegom en bruid zwijgt.
Want het land zal een woestenij worden.
Ook de stem van bruidegom en bruid zwijgt.
Want het land zal een woestenij worden.