Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 52

De val van Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Het beleg en het einde van Zedekia
Zedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd.
Hij regeerde elf jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Hamutal; zij was een dochter van Jeremia uit Libna.
Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, net zoals Jojakim gedaan had.
Want door de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda gebeurde dit, tot Hij hen van Zijn gezicht wegwierp.
En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.
Het was het negende jaar van zijn regering, de tiende maand, de tiende dag van de maand.
Toen kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem met heel zijn leger.
Zij sloegen hun kamp op tegen de stad en bouwden er belegeringswallen omheen.
Zo lag de stad onder beleg tot het elfde jaar van koning Zedekia.
In de vierde maand, op de negende dag van de maand, werd de honger in de stad heel groot.
Het volk van het land had geen brood meer.
Toen werd er een bres in de stadsmuur geslagen.
Alle soldaten vluchtten en trokken 's nachts de stad uit, door de poort tussen de twee muren bij de koninklijke tuin.
De Chaldeeën lagen rondom de stad.
Zij namen de weg naar de Jordaanvlakte.
Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning.
Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho, en heel zijn leger werd van hem weggejaagd.
Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla, in het land Hamath.
Daar sprak hij het vonnis over hem uit.
De koning van Babel doodde de zonen van Zedekia voor zijn ogen.
Ook doodde hij in Ribla alle vorsten van Juda.
Hij maakte Zedekia blind en boeide hem met twee bronzen ketenen.
De koning van Babel bracht hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.
De tempel wordt verbrand en leeggehaald
Daarna, in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem.
Dit was het negentiende jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel.
Nebuzaradan was de bevelhebber van de lijfwacht en stond in dienst van de koning van Babel.
Hij verbrandde het huis van de HEERE en het paleis van de koning.
Ook alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.
Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem af.
Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de armsten van het volk weg.
Ook voerde hij de rest van het volk weg dat in de stad was overgebleven.
Daarbij waren de overlopers die naar de koning van Babel waren gegaan, en de rest van de menigte.
Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, een deel achter als wijnboeren en akkerbouwers.
Verder braken de Chaldeeën de bronzen zuilen af die in het huis van de HEERE stonden, en ook de onderstellen en de bronzen zee daar.
Al het brons daarvan brachten zij naar Babel.
Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengschalen, de schalen voor wierook en alle bronzen voorwerpen mee waarmee de dienst gedaan werd.
De bevelhebber van de lijfwacht nam ook de schalen mee, de vuurpannen, de sprengschalen, de potten, de kandelaars, de schalen voor wierook en de kannen.
Alles wat van zuiver goud en van zuiver zilver was, nam hij mee.
Dan waren er nog de twee zuilen, de ene zee en de twaalf bronzen runderen onder de onderstellen.
Koning Salomo had die voor het huis van de HEERE laten maken.
Het brons van al deze voorwerpen was niet te wegen.
Wat de zuilen betreft: de ene zuil was ongeveer acht meter hoog.
Een meetlint van ongeveer vijfenhalve meter ging eromheen.
De wand was vier vingers dik en de zuil was hol.
Het kapiteel erop was van brons.
Het ene kapiteel was ongeveer twee meter twintig hoog.
Er zat vlechtwerk omheen en er waren granaatappels op aangebracht, alles van brons.
De andere zuil was er net zo een, ook met granaatappels.
Aan de zijkanten hingen zesennegentig granaatappels.
In totaal waren het er honderd, rondom op het vlechtwerk.
De weggevoerden
De bevelhebber van de lijfwacht nam ook Seraja mee, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters.
Uit de stad nam hij een hoveling mee die het bevel had over de soldaten.
Ook nam hij zeven mannen mee uit de naaste kring van de koning, die in de stad werden aangetroffen.
Verder nam hij de schrijver van de legeraanvoerder mee, die het volk van het land voor de oorlog inschreef.
En hij nam zestig mannen mee die in de stad gevonden werden.
Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.
De koning van Babel liet hen slaan en doden in Ribla, in het land Hamath.
Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd.
Dit is het volk dat Nebukadrezar wegvoerde: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs;
in het achttiende jaar van Nebukadrezar voerde hij achthonderdtweeëndertig mensen uit Jeruzalem weg;
in het drieëntwintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, zevenhonderdvijfenveertig Judeeërs weg.
In totaal waren het vierduizend zeshonderd mensen.
Daarna, in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, gebeurde het volgende.
In de twaalfde maand, op de vijfentwintigste dag van de maand, verhief Evilmerodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin.
Dat was in het eerste jaar van zijn koningschap, en hij haalde Jojachin uit de gevangenis.
Hij sprak vriendelijk met hem en gaf hem een ereplaats boven de andere koningen die bij hem in Babel waren.
Jojachin mocht zijn gevangenenkleren afleggen.
Hij at voortaan altijd aan de tafel van de koning, zijn hele leven lang.
Voor zijn onderhoud kreeg hij van de koning van Babel een vast deel.
Elke dag kreeg hij wat hij die dag nodig had, tot de dag van zijn dood, zijn hele leven lang.

Download hoofdstuk als tekstbestand