Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 51

Babel valt en staat niet meer op

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 11 minuten
Een verwoestende wind
Dit zegt de HEERE: Kijk, ik wek een verwoestende wind op tegen Babel en tegen wie wonen in het hart van wie tegen mij opstaan.
Ik stuur wanners naar Babel; zij zullen haar wannen en haar land leegmaken.
Op de dag van het onheil komen zij van alle kanten op haar af.

Laat de schutter zijn boog spannen tegen wie spant en tegen wie pronkt in zijn pantser.
Spaar haar jonge mannen niet en vernietig heel haar leger.

Laat de gedoden liggen in het land van de Chaldeeën en de doorstokenen op haar pleinen.
Want Israël en Juda zijn niet als weduwen achtergelaten door hun God, de HEERE van de legermachten.
Dat is zo, ook al is hun land vol schuld tegenover de Heilige van Israël.

Vlucht uit Babel en laat ieder zijn leven redden.
Kom niet om door haar schuld.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE; Hij vergeldt haar wat zij verdient.

Babel was een gouden beker in de hand van de HEERE, die de hele aarde dronken maakte.
De volken dronken van haar wijn en daarom werden zij waanzinnig.

Plotseling is Babel gevallen en gebroken.
Huil over haar.
Haal balsem voor haar pijn; misschien geneest zij.

Wij hebben Babel willen genezen, maar zij is niet genezen.
Laat haar dan los en laten wij ieder naar zijn eigen land gaan.
Want haar oordeel reikt tot de hemel en stijgt tot de wolken.

De HEERE heeft ons recht aan het licht gebracht.
Kom, laten wij in Sion vertellen wat de HEERE, onze God, gedaan heeft.

Slijp de pijlen en pak de schilden.
De HEERE heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt.
Zijn plan is tegen Babel, om haar te verwoesten.
Want dit is de wraak van de HEERE, de wraak voor Zijn tempel.

Hijs de vlag op de muren van Babel.
Versterk de wacht, zet wachters neer en leg hinderlagen.
Want wat de HEERE zich voorgenomen heeft, doet Hij ook.
Hij doet wat Hij over de bewoners van Babel gezegd heeft.

Jij die aan veel water woont en rijk bent aan schatten: je einde is gekomen, de maat van je hebzucht is vol.
De HEERE van de legermachten heeft bij zichzelf gezworen: ik heb je gevuld met mensen als een zwerm sprinkhanen.
Toch zal men over jou juichen.

Hij die de aarde maakte
Hij maakte de aarde door Zijn kracht.
Hij richtte de wereld op door Zijn wijsheid en spande de hemel uit door Zijn inzicht.

Als Hij Zijn stem laat klinken, bruist het water in de hemel.
Hij laat de wolken opstijgen van de einden van de aarde.
Hij maakt bliksem bij de regen en haalt de wind uit Zijn voorraadkamers.

Ieder mens staat dom en zonder kennis.
Elke goudsmid staat beschaamd om zijn beeld.
Want zijn gegoten beeld is bedrog; er zit geen adem in.

Ze zijn niets, belachelijk werk.
Als de tijd komt dat zij bezocht worden, vergaan zij.

Het deel van Jakob is niet zoals zij.
Want Hij is de Maker van alles, en Israël is de stam van Zijn erfdeel.
Zijn naam is HEERE van de legermachten.

Jij bent mijn hamer, mijn wapen voor de oorlog.
Met jou sla ik volken stuk en met jou vernietig ik koninkrijken.

Met jou sla ik het paard en zijn ruiter stuk.
Met jou sla ik de wagen en zijn menner stuk.

Met jou sla ik man en vrouw stuk, oud en jong, jongen en meisje.
Met jou sla ik de herder en zijn kudde stuk, de boer en zijn span ossen, landvoogden en bestuurders.
Maar ik zal Babel en alle bewoners van Chaldea vergelden wat zij Sion hebben aangedaan, voor jullie eigen ogen, zegt de HEERE.
Kijk, ik keer mij tegen jou, verwoestende berg, zegt de HEERE, jij die de hele aarde verwoest.
Ik strek mijn hand tegen je uit en rol je van de rotsen af.
Ik maak je tot een uitgebrande berg.

Uit jou zal men geen hoeksteen nemen en geen steen voor een fundament.
Want je zult voor altijd een woestenij zijn, zegt de HEERE.

Hijs de vlag in het land
Hijs de vlag in het land en blaas de ramshoorn onder de volken.
Roep de volken tegen haar op.
Roep de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz tegen haar bijeen.
Stel een aanvoerder tegen haar aan en laat de paarden aanrukken als een zwerm sprinkhanen.

Roep de volken tegen haar op, de koningen van Medië, hun landvoogden en al hun bestuurders, ja heel het gebied van hun heerschappij.
Dan beeft het land en krimpt het ineen.
Want elk plan van de HEERE tegen Babel staat vast: haar land wordt een woestenij, zonder één bewoner.

De helden van Babel zijn opgehouden met vechten.
Zij zitten in de vestingen en hun kracht is op; zij zijn krachteloos geworden.
Haar huizen zijn in brand gestoken en haar grendels zijn gebroken.

De ene bode rent de andere tegemoet en de ene boodschapper de andere.
Zij melden de koning van Babel dat zijn stad van alle kanten ingenomen is.

Ook melden zij dat de doorwaadbare plaatsen bezet zijn, dat de rietvelden verbrand zijn en dat de soldaten radeloos zijn.
Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer.
Het is tijd om haar te dorsen.
Nog even, dan komt de oogsttijd voor haar.

Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten en verpletterd.
Hij zette mij weg als een lege kruik.
Hij verslond mij als een monster en vulde zijn buik met mijn lekkernijen.
Daarna spoelde hij mij weg.

Laat het geweld dat mij is aangedaan op Babel neerkomen, zegt de bewoonster van Sion.
Laat mijn bloed neerkomen op de bewoners van Chaldea, zegt Jeruzalem.

Daarom zegt de HEERE dit: Kijk, ik neem het voor je op en ik wreek je.
Ik zal haar zee droogleggen en haar bron laten opdrogen.

Babel wordt een puinhoop, een verblijf voor jakhalzen, een schrikbeeld en een mikpunt van spot, zonder één bewoner.
Zij brullen samen als jonge leeuwen; zij grommen als leeuwenwelpen.
Als zij verhit zijn, zet ik hun een drank voor en maak hen dronken, zodat zij uitgelaten worden.
Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet wakker worden, zegt de HEERE.

Ik voer hen weg om geslacht te worden als lammeren, als rammen met bokken.
Ga weg uit haar midden
Hoe is Sesach veroverd, de roem van de hele aarde ingenomen!
Hoe is Babel een schrikbeeld geworden onder de volken!

Een zee is over Babel gestegen; door de massa golven is zij bedekt.
Haar steden zijn een woestenij geworden, een dor en verlaten land, waar niemand woont en geen mens doorheen trekt.
Ik zal Bel in Babel bezoeken.
Ik haal uit zijn muil wat hij verslonden heeft.
De volken zullen niet meer naar hem toestromen.
Ook de muur van Babel is gevallen.

Ga weg uit haar midden, mijn volk.
Laat ieder zijn leven redden voor de gloed van de toorn van de HEERE.

Laat jullie hart niet week worden en wees niet bang voor het gerucht dat in het land gehoord wordt.
Het ene jaar komt er een gerucht en het volgende jaar weer een.
Er zal geweld in het land zijn, heerser tegen heerser.

Daarom, kijk, de dagen komen dat ik de gesneden beelden van Babel bezoek.
Heel haar land zal beschaamd staan en al haar gedoden zullen in haar midden liggen.

De hemel en de aarde en alles wat daarin is, zullen juichen over Babel.
Want uit het noorden komen de verwoesters op haar af, zegt de HEERE.

Zoals Babel de gedoden van Israël deed vallen, zo vallen in Babel de gedoden van heel de aarde.
Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn, ga weg en blijf niet staan.
Denk van ver aan de HEERE en laat Jeruzalem in jullie hart opkomen.

Jullie zeggen misschien: wij staan beschaamd, want wij hoorden hoe wij bespot werden.
Schaamte bedekte ons gezicht, want vreemden kwamen in de heilige delen van het huis van de HEERE.

Daarom, kijk, de dagen komen, zegt de HEERE, dat ik haar gesneden beelden bezoek.
In heel haar land zullen de gewonden kreunen.

Al klom Babel op naar de hemel en al maakte zij haar hoge burcht sterk, toch stuur ik verwoesters op haar af, zegt de HEERE.
Er klinkt geschreeuw uit Babel, het geluid van een grote ramp uit het land van de Chaldeeën.
Want de HEERE verwoest Babel en maakt een einde aan haar luide stem.
Hun golven bruisen als grote wateren; hun stemmen klinken luid op.

Want de verwoester komt over haar, over Babel.
Haar helden worden gevangen en hun bogen worden gebroken.
Want de HEERE is een God van vergelding; Hij betaalt hun zeker terug.

Ik zal haar vorsten en haar wijzen dronken maken, haar landvoogden, haar bestuurders en haar helden.
Zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet wakker worden, zegt de Koning, wiens naam HEERE van de legermachten is.

Dit zegt de HEERE van de legermachten: De brede muur van Babel wordt tot de grond toe afgebroken.
Haar hoge poorten worden in brand gestoken.
Zo hebben de volken zich voor niets afgemat en de naties zich moe gewerkt voor het vuur.

Het boek in de Frath
Dit is het woord dat de profeet Jeremia opdroeg aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja.
Seraja ging met Zedekia, de koning van Juda, naar Babel, in het vierde jaar van zijn regering.
Seraja was hofmaarschalk.
Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen in een boek.
Het waren al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn.
Jeremia zei tegen Seraja: Als je in Babel komt, zorg dan dat je al deze woorden hardop leest.
Dan moet je zeggen: HEERE, U hebt over deze plaats gesproken dat U haar zult uitroeien.
Er zal geen bewoner overblijven, geen mens en geen dier; zij zal voor altijd een woestenij zijn.

En als je klaar bent met het lezen van dit boek, bind er dan een steen aan en gooi het midden in de Frath.
Zeg dan: Zo zal Babel zinken en niet meer opkomen, door het onheil dat ik over haar breng.
Zij zullen zich moe werken.
Tot zover de woorden van Jeremia.

Download hoofdstuk als tekstbestand