Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 5
Zoek in de straten van Jeruzalem
Is er iemand die recht doet?
Ga door de straten van Jeruzalem, kijk goed rond en zoek op haar pleinen.
Als je één iemand vindt die recht doet en waarheid zoekt, zal ik haar vergeven.
Als je één iemand vindt die recht doet en waarheid zoekt, zal ik haar vergeven.
Ook al zeggen zij: zo waar de HEERE leeft, toch zweren zij vals.
HEERE, zien Uw ogen niet naar waarheid?
U sloeg hen, maar zij voelden geen pijn.
U verteerde hen, maar zij weigerden de tucht.
Zij maakten hun gezicht harder dan een rots en weigerden terug te keren.
U sloeg hen, maar zij voelden geen pijn.
U verteerde hen, maar zij weigerden de tucht.
Zij maakten hun gezicht harder dan een rots en weigerden terug te keren.
Ik dacht: dit zijn maar gewone mensen.
Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van de HEERE niet en het recht van hun God niet.
Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van de HEERE niet en het recht van hun God niet.
Ik zal naar de groten gaan en met hen spreken, want die kennen de weg van de HEERE en het recht van hun God.
Maar ook zij hadden samen het juk gebroken en de banden verscheurd.
Maar ook zij hadden samen het juk gebroken en de banden verscheurd.
Daarom heeft een leeuw uit het bos hen geslagen en verwoest een wolf uit de steppe hen.
Een luipaard loert op hun steden; wie eruit komt, wordt verscheurd.
Want hun overtredingen zijn talrijk en hun afkeer is groot.
Een luipaard loert op hun steden; wie eruit komt, wordt verscheurd.
Want hun overtredingen zijn talrijk en hun afkeer is groot.
Hoe zou ik je dit vergeven?
Je kinderen hebben mij verlaten en zweren bij wat geen God is.
Ik gaf hun genoeg, maar zij pleegden overspel en liepen in drommen naar het hoerenhuis.
Je kinderen hebben mij verlaten en zweren bij wat geen God is.
Ik gaf hun genoeg, maar zij pleegden overspel en liepen in drommen naar het hoerenhuis.
Als goed gevoerde hengsten staan zij vroeg op.
Ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.
Ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.
Zou ik dit niet bezoeken?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
Klim op haar muren en verwoest ze, maar maak er geen einde aan.
Haal haar ranken weg, want zij zijn niet van de HEERE.
Haal haar ranken weg, want zij zijn niet van de HEERE.
Want het huis van Israël en het huis van Juda zijn mij volkomen ontrouw geweest, zegt de HEERE.
Zij verloochenen de HEERE en zeggen: Hij is het niet, ons overkomt geen kwaad; wij zullen zwaard noch honger zien.
De profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen.
Laat het hun zo vergaan.
Laat het hun zo vergaan.
Een volk van ver
Omdat jullie dit zeggen, spreekt de HEERE, de God van de legermachten.
Kijk, ik maak mijn woorden in je mond tot vuur en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
Kijk, ik maak mijn woorden in je mond tot vuur en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
Kijk, ik breng een volk van ver over jullie, huis van Israël, zegt de HEERE.
Het is een sterk volk, een heel oud volk, een volk waarvan je de taal niet kent en niet verstaat wat het zegt.
Het is een sterk volk, een heel oud volk, een volk waarvan je de taal niet kent en niet verstaat wat het zegt.
Zijn pijlkoker is als een open graf; het zijn allemaal helden.
Het zal je oogst en je brood opeten, het voedsel van je zonen en dochters.
Het zal je schapen en runderen opeten, je wijnstok en je vijgenboom.
Je versterkte steden waarop je vertrouwt, maakt het arm met het zwaard.
Het zal je schapen en runderen opeten, je wijnstok en je vijgenboom.
Je versterkte steden waarop je vertrouwt, maakt het arm met het zwaard.
Toch zal ik ook in die dagen geen einde aan jullie maken, zegt de HEERE.
Jullie zullen vragen waarom de HEERE, onze God, dit alles gedaan heeft.
Zeg dan tegen hen: jullie hebben mij verlaten en vreemde goden in je land gediend.
Zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.
Zeg dan tegen hen: jullie hebben mij verlaten en vreemde goden in je land gediend.
Zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.
Vertel dit in het huis van Jakob en laat het horen in Juda.
Hoor nu dit, dwaas volk zonder verstand.
Jullie hebben ogen, maar zien niet; oren, maar horen niet.
Jullie hebben ogen, maar zien niet; oren, maar horen niet.
Zouden jullie geen ontzag voor mij hebben?
zegt de HEERE.
Zouden jullie niet beven voor mijn aangezicht?
Ik heb het zand als grens voor de zee gesteld, een eeuwige regel die zij niet overschrijdt.
Haar golven slaan, maar overwinnen niet; zij bruisen, maar gaan er niet overheen.
zegt de HEERE.
Zouden jullie niet beven voor mijn aangezicht?
Ik heb het zand als grens voor de zee gesteld, een eeuwige regel die zij niet overschrijdt.
Haar golven slaan, maar overwinnen niet; zij bruisen, maar gaan er niet overheen.
Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart.
Zij zijn afgevallen en weggegaan.
Zij zijn afgevallen en weggegaan.
Zij zeggen niet in hun hart: laten wij ontzag hebben voor de HEERE, onze God.
Hij geeft de vroege en late regen op tijd en bewaart voor ons de vaste weken van de oogst.
Hij geeft de vroege en late regen op tijd en bewaart voor ons de vaste weken van de oogst.
Jullie ongerechtigheden houden dat tegen, en jullie zonden onthouden je dat goede.
Want onder mijn volk zijn goddelozen.
Zij loeren als vogelvangers, zetten een dodelijke strik en vangen mensen.
Zij loeren als vogelvangers, zetten een dodelijke strik en vangen mensen.
Zoals een kooi vol vogels zit, zo zijn hun huizen vol bedrog.
Daarom zijn zij groot en rijk geworden.
Daarom zijn zij groot en rijk geworden.
Zij zijn vet en glad en gaan zelfs de daden van de bozen te boven.
Zij doen geen recht, zelfs niet aan een wees, en toch gaat het hun goed.
Het recht van de armen doen zij niet.
Zij doen geen recht, zelfs niet aan een wees, en toch gaat het hun goed.
Het recht van de armen doen zij niet.
Zou ik dit niet bezoeken?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
zegt de HEERE.
Zou ik mij niet wreken op zo'n volk?
Er gebeurt iets verschrikkelijks en afschuwelijks in het land.
De profeten profeteren leugens en de priesters heersen op eigen gezag.
Mijn volk houdt daarvan.
Maar wat zullen jullie doen als het einde komt?
Mijn volk houdt daarvan.
Maar wat zullen jullie doen als het einde komt?