Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 32
Jeremia koopt een akker
De akker in Anathoth
Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam in het tiende jaar van Zedekia, de koning van Juda.
Dat jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar.
Dat jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar.
Het leger van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem.
De profeet Jeremia zat opgesloten in de wachtplaats bij het paleis van de koning van Juda.
De profeet Jeremia zat opgesloten in de wachtplaats bij het paleis van de koning van Juda.
Want Zedekia, de koning van Juda, had hem laten opsluiten.
Hij zei: Waarom profeteer jij dat de HEERE deze stad in de hand van de koning van Babel geeft en dat hij haar zal innemen?
Hij zei: Waarom profeteer jij dat de HEERE deze stad in de hand van de koning van Babel geeft en dat hij haar zal innemen?
Je zegt dat Zedekia, de koning van Juda, niet aan de Chaldeeën zal ontkomen.
Hij wordt zeker in de hand van de koning van Babel gegeven.
Zij zullen elkaar van mond tot mond spreken en elkaar in de ogen zien.
Hij wordt zeker in de hand van de koning van Babel gegeven.
Zij zullen elkaar van mond tot mond spreken en elkaar in de ogen zien.
Hij zal Zedekia naar Babel brengen, en daar zal hij blijven tot ik naar hem omzie, zegt de HEERE.
Al strijden jullie tegen de Chaldeeën, jullie zullen geen succes hebben.
Al strijden jullie tegen de Chaldeeën, jullie zullen geen succes hebben.
Jeremia zei: het woord van de HEERE kwam tot mij.
Hij zei: Kijk, Hanameël, de zoon van je oom Sallum, komt naar je toe.
Hij zal zeggen: koop mijn akker bij Anathoth, want jij hebt het recht van lossing om hem te kopen.
Hij zal zeggen: koop mijn akker bij Anathoth, want jij hebt het recht van lossing om hem te kopen.
Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam naar het woord van de HEERE bij mij in de wachtplaats.
Hij zei: Koop toch mijn akker bij Anathoth, in het gebied van Benjamin.
Jij hebt het erfrecht en de lossing; koop hem voor jezelf.
Toen begreep ik dat het het woord van de HEERE was.
Hij zei: Koop toch mijn akker bij Anathoth, in het gebied van Benjamin.
Jij hebt het erfrecht en de lossing; koop hem voor jezelf.
Toen begreep ik dat het het woord van de HEERE was.
Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker bij Anathoth.
Ik woog hem het geld af: zeventien zilverstukken.
Ik woog hem het geld af: zeventien zilverstukken.
Ik zette mijn naam op de akte en verzegelde die.
Ik liet getuigen tekenen en woog het geld op de weegschaal.
Ik liet getuigen tekenen en woog het geld op de weegschaal.
Ik nam de koopakte, de verzegelde met de bepalingen en de open akte.
Ik gaf de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja.
Dat deed ik voor de ogen van Hanameël, van de getuigen die de akte ondertekend hadden, en van alle Judeeërs die in de wachtplaats zaten.
Dat deed ik voor de ogen van Hanameël, van de getuigen die de akte ondertekend hadden, en van alle Judeeërs die in de wachtplaats zaten.
Voor hun ogen gaf ik Baruch deze opdracht.
Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze akten, de verzegelde koopakte en de open akte.
Doe ze in een aarden pot.
Dan blijven zij vele dagen bewaard.
Doe ze in een aarden pot.
Dan blijven zij vele dagen bewaard.
Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: er zullen in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden.
Het gebed van Jeremia
Nadat ik de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot de HEERE.
Ach, Heere HEERE, U hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm.
Niets is voor U te wonderlijk.
Niets is voor U te wonderlijk.
U bewijst goedheid aan duizenden, maar U vergeldt de schuld van de vaderen in de schoot van hun kinderen na hen.
U bent de grote, machtige God; Uw naam is HEERE van de legermachten.
U bent de grote, machtige God; Uw naam is HEERE van de legermachten.
U bent groot van raad en machtig van daad.
Uw ogen staan open voor alle wegen van mensen, om ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn daden.
Uw ogen staan open voor alle wegen van mensen, om ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn daden.
U deed tekenen en wonderen in Egypte, en tot vandaag toe in Israël en onder andere mensen.
Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals die er vandaag is.
Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals die er vandaag is.
U leidde Uw volk Israël uit Egypte met tekenen en wonderen, met sterke hand en uitgestrekte arm en met grote schrik.
U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.
Zij kwamen erin en namen het in bezit.
Maar zij luisterden niet naar Uw stem en leefden niet naar Uw wet.
Zij deden niets van wat U hun geboden had.
Daarom hebt U al dit kwaad over hen gebracht.
Maar zij luisterden niet naar Uw stem en leefden niet naar Uw wet.
Zij deden niets van wat U hun geboden had.
Daarom hebt U al dit kwaad over hen gebracht.
Kijk naar de wallen: zij zijn tot aan de stad gekomen om haar in te nemen.
De stad wordt in de hand van de Chaldeeën gegeven door zwaard, honger en pest.
Wat U gesproken hebt, gebeurt, en U ziet het zelf.
De stad wordt in de hand van de Chaldeeën gegeven door zwaard, honger en pest.
Wat U gesproken hebt, gebeurt, en U ziet het zelf.
Toch hebt U tegen mij gezegd, Heere HEERE: koop die akker voor geld en laat getuigen tekenen.
En dat terwijl de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is.
En dat terwijl de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is.
Zou iets voor mij te wonderlijk zijn?
Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia.
Kijk, ik ben de HEERE, de God van alle mensen.
Zou er iets voor mij te wonderlijk zijn?
Zou er iets voor mij te wonderlijk zijn?
Daarom zegt de HEERE: kijk, ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën.
Ik geef haar aan Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen.
Ik geef haar aan Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen.
De Chaldeeën die tegen deze stad strijden, zullen binnenkomen en haar met vuur verbranden.
Zij verbranden ook de huizen waar men op het dak wierook brandde voor Baäl en drankoffers aan andere goden bracht om mij te tergen.
Zij verbranden ook de huizen waar men op het dak wierook brandde voor Baäl en drankoffers aan andere goden bracht om mij te tergen.
Want de Israëlieten en de Judeeërs hebben van jongs af alleen gedaan wat kwaad is in mijn ogen.
De Israëlieten hebben mij alleen maar getergd met het werk van hun handen, zegt de HEERE.
De Israëlieten hebben mij alleen maar getergd met het werk van hun handen, zegt de HEERE.
Want deze stad heeft mij tot toorn en woede gebracht vanaf de dag dat men haar bouwde tot vandaag toe.
Daarom moet ik haar van mijn aangezicht wegdoen.
Daarom moet ik haar van mijn aangezicht wegdoen.
Dat komt door alle boosheid van de Israëlieten en de Judeeërs, die mij tergden.
Het waren hun koningen, hun vorsten, hun priesters en profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.
Het waren hun koningen, hun vorsten, hun priesters en profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.
Zij keerden mij hun rug toe en niet hun gezicht.
Ik leerde hen steeds opnieuw, maar zij luisterden niet en namen geen tucht aan.
Ik leerde hen steeds opnieuw, maar zij luisterden niet en namen geen tucht aan.
Zij zetten hun gruwelen in het huis dat mijn naam draagt en maakten het zo onrein.
Zij bouwden de offerhoogten van Baäl in het dal van de zoon van Hinnom.
Daar lieten zij hun zonen en dochters voor Moloch door het vuur gaan.
Dat heb ik hun niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen.
Zo lieten zij Juda zondigen.
Daar lieten zij hun zonen en dochters voor Moloch door het vuur gaan.
Dat heb ik hun niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen.
Zo lieten zij Juda zondigen.
Daarom zegt de HEERE, de God van Israël, nu dit over deze stad.
Jullie zeggen dat zij door zwaard, honger en pest in de hand van de koning van Babel gegeven wordt.
Jullie zeggen dat zij door zwaard, honger en pest in de hand van de koning van Babel gegeven wordt.
Kijk, ik zal hen verzamelen uit alle landen waarheen ik hen verdreven heb in mijn toorn en mijn grote woede.
Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen veilig wonen.
Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen veilig wonen.
Ja, zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn.
Ik zal hun één hart en één weg geven, om altijd ontzag voor mij te hebben.
Dat is voor hun eigen bestwil en dat van hun kinderen na hen.
Dat is voor hun eigen bestwil en dat van hun kinderen na hen.
Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten: ik zal mij niet van hen afkeren, maar hun goed doen.
Ik zal ontzag voor mij in hun hart geven, zodat zij niet van mij afwijken.
Ik zal ontzag voor mij in hun hart geven, zodat zij niet van mij afwijken.
Ik zal blij zijn over hen en hun goed doen.
Ik zal hen trouw in dat land planten, met heel mijn hart en heel mijn ziel.
Ik zal hen trouw in dat land planten, met heel mijn hart en heel mijn ziel.
Want dit zegt de HEERE.
Zoals ik over dit volk al dit grote kwaad gebracht heb, zo breng ik over hen al het goede dat ik hun beloof.
Zoals ik over dit volk al dit grote kwaad gebracht heb, zo breng ik over hen al het goede dat ik hun beloof.
Er zullen weer akkers gekocht worden in dit land.
Jullie zeggen nu dat het verwoest is, zonder mens of dier, en aan de Chaldeeën gegeven.
Jullie zeggen nu dat het verwoest is, zonder mens of dier, en aan de Chaldeeën gegeven.
Men zal akkers voor geld kopen, akten ondertekenen en verzegelen en getuigen laten tekenen.
Dat gebeurt in het gebied van Benjamin, rondom Jeruzalem, in de steden van Juda, in het bergland, in de laagte en in het zuiden.
Want ik zal hun lot keren, zegt de HEERE.
Dat gebeurt in het gebied van Benjamin, rondom Jeruzalem, in de steden van Juda, in het bergland, in de laagte en in het zuiden.
Want ik zal hun lot keren, zegt de HEERE.