Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 21

De weg van het leven en de weg van de dood

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Zedekia vraagt naar de HEERE
Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam.
Koning Zedekia stuurde toen Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe.
Zij zeiden: Vraag toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons.
Misschien doet de HEERE met ons naar al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.

Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moeten jullie tegen Zedekia zeggen.
Dit zegt de HEERE, de God van Israël.
Kijk, ik keer de wapens in jullie hand om.
Daarmee strijden jullie tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën die jullie belegeren.
Ik verzamel ze midden in deze stad.

Ik zal zelf tegen jullie strijden, met uitgestrekte hand en sterke arm, met toorn, woede en grote verbolgenheid.
Ik zal de inwoners van deze stad slaan, mens en dier.
Zij zullen sterven aan een grote pest.

Daarna, zegt de HEERE, zal ik Zedekia, de koning van Juda, zijn knechten en het volk overgeven.
Wie in deze stad overblijven van de pest, het zwaard en de honger, geef ik in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.
Ik geef hen in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken.
Hij zal hen met het zwaard slaan zonder te sparen of medelijden te hebben.

Twee wegen
Tegen dit volk moet je zeggen: dit zegt de HEERE.
Kijk, ik leg jullie de weg van het leven en de weg van de dood voor.

Wie in deze stad blijft, zal sterven door zwaard, honger of pest.
Maar wie eruit gaat en overloopt naar de Chaldeeën die jullie belegeren, zal leven en zijn leven als buit behouden.

Want ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, zegt de HEERE.
Zij wordt in de hand van de koning van Babel gegeven, en hij zal haar met vuur verbranden.

En tegen het huis van de koning van Juda: hoor het woord van de HEERE.
Huis van David, dit zegt de HEERE: spreek elke morgen recht en red wie beroofd is uit de hand van de onderdrukker.
Anders slaat mijn woede uit als een vuur dat niemand kan blussen, vanwege jullie slechte daden.

Kijk, ik kom naar je toe, bewoner van het dal, rots van de vlakte, zegt de HEERE.
Jullie zeggen: wie zou op ons afkomen, wie zou onze woningen binnendringen?

Ik zal jullie bezoeken naar de vrucht van jullie daden, zegt de HEERE.
Ik steek een vuur aan in haar bos, en dat zal alles eromheen verteren.

Download hoofdstuk als tekstbestand