Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Hooglied 5
Ik sliep, maar mijn hart was wakker
Doe open, mijn liefste
Ik ben in mijn tuin gekomen, mijn bruid.
Ik heb mijn mirre met mijn specerij geplukt.
Ik heb mijn honingraat met mijn honing gegeten en mijn wijn met mijn melk gedronken.
Eet, vrienden, drink en word dronken van liefde!
Ik heb mijn mirre met mijn specerij geplukt.
Ik heb mijn honingraat met mijn honing gegeten en mijn wijn met mijn melk gedronken.
Eet, vrienden, drink en word dronken van liefde!
Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Daar klopte mijn liefste: Doe open, mijn liefste, mijn vriendin, mijn duif, mijn volmaakte!
Want mijn hoofd is nat van de dauw en mijn haren zijn vol druppels van de nacht.
Daar klopte mijn liefste: Doe open, mijn liefste, mijn vriendin, mijn duif, mijn volmaakte!
Want mijn hoofd is nat van de dauw en mijn haren zijn vol druppels van de nacht.
Ik heb mijn kleed al uitgedaan, moet ik het weer aantrekken?
Ik heb mijn voeten al gewassen, moet ik ze weer vuil maken?
Ik heb mijn voeten al gewassen, moet ik ze weer vuil maken?
Mijn liefste stak zijn hand door de opening van de deur, en mijn hart ging naar hem uit.
Ik stond op om mijn liefste open te doen.
Mijn handen dropen van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre, op de greep van de grendel.
Mijn handen dropen van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre, op de greep van de grendel.
Ik deed open voor mijn liefste, maar hij was weg.
Hij was al doorgelopen.
Mijn ziel bezweek toen hij sprak.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
Ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
Hij was al doorgelopen.
Mijn ziel bezweek toen hij sprak.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
Ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
De wachters die de stad rondgingen, vonden mij.
Zij sloegen mij en verwondden mij.
De wachters op de muren namen mij mijn sluier af.
Zij sloegen mij en verwondden mij.
De wachters op de muren namen mij mijn sluier af.
Ik bezweer jullie, meisjes van Jeruzalem: als jullie mijn liefste vinden, zeg hem dan dat ik ziek ben van liefde.
Wat heeft jouw liefste meer?
Wat heeft jouw liefste meer dan een ander, mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw liefste meer dan een ander, dat je ons zo bezweert?
Wat heeft jouw liefste meer dan een ander, dat je ons zo bezweert?
Mijn liefste is stralend en rood, hij valt op tussen tienduizend.
Zijn hoofd is van het zuiverste goud.
Zijn haren zijn gekruld en zwart als een raaf.
Zijn haren zijn gekruld en zwart als een raaf.
Zijn ogen zijn als duiven bij waterstromen, gewassen in melk, gevat als edelstenen.
Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als torentjes van geurige kruiden.
Zijn lippen zijn lelies die druipen van vloeiende mirre.
Zijn lippen zijn lelies die druipen van vloeiende mirre.
Zijn handen zijn als gouden staven, bezet met turkoois.
Zijn buik is als glanzend ivoor, bedekt met saffieren.
Zijn buik is als glanzend ivoor, bedekt met saffieren.
Zijn benen zijn als marmeren pilaren op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de ceders.
Zijn gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de ceders.
Zijn mond is enkel zoetheid, en alles aan hem is begeerlijk.
Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem.
Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem.