Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Nieuwe Testament
Handelingen 23
Paulus voor de Raad, en de aanslag
Voor de Raad
Paulus keek de Raad aan en zei: Broeders, ik heb tot op vandaag met een volkomen zuiver geweten voor God geleefd.
Maar de hogepriester Ananias gaf de mannen die bij hem stonden, bevel hem op de mond te slaan.
Toen zei Paulus tegen hem: God zal u slaan, witgekalkte muur!
U zit daar om mij naar de wet te oordelen.
Toch geeft u tegen de wet in bevel mij te slaan.
U zit daar om mij naar de wet te oordelen.
Toch geeft u tegen de wet in bevel mij te slaan.
De omstanders zeiden: Scheldt u de hogepriester van God uit?
Paulus zei: Broeders, ik wist niet dat het de hogepriester was.
Er staat namelijk geschreven: Over een leider van je volk mag je geen kwaad spreken.
Er staat namelijk geschreven: Over een leider van je volk mag je geen kwaad spreken.
Paulus wist dat een deel sadduceeën waren en een ander deel farizeeën.
Daarom riep hij in de Raad: Broeders, ik ben een farizeeër, zoon van farizeeën.
Ik word geoordeeld om de hoop en de opstanding van de doden.
Daarom riep hij in de Raad: Broeders, ik ben een farizeeër, zoon van farizeeën.
Ik word geoordeeld om de hoop en de opstanding van de doden.
Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de farizeeën en de sadduceeën, en de vergadering raakte verdeeld.
De sadduceeën zeggen namelijk dat er geen opstanding is, en ook geen engel of geest.
De farizeeën belijden dit allemaal wel.
De farizeeën belijden dit allemaal wel.
Er ontstond luid geschreeuw.
Een paar schriftgeleerden van de kant van de farizeeën stonden op en zeiden fel: Wij vinden niets verkeerds in deze man.
Misschien heeft een geest of een engel tot hem gesproken; laten wij niet tegen God strijden.
Een paar schriftgeleerden van de kant van de farizeeën stonden op en zeiden fel: Wij vinden niets verkeerds in deze man.
Misschien heeft een geest of een engel tot hem gesproken; laten wij niet tegen God strijden.
De onenigheid werd zo groot dat de commandant bang werd dat zij Paulus zouden verscheuren.
Hij gaf bevel dat de soldaten naar beneden zouden komen, hem uit hun midden zouden halen en naar de kazerne zouden brengen.
Hij gaf bevel dat de soldaten naar beneden zouden komen, hem uit hun midden zouden halen en naar de kazerne zouden brengen.
De volgende nacht stond de Heere bij hem.
Hij zei: Houd moed, Paulus.
Jij hebt in Jeruzalem van mij getuigd, en zo moet je ook in Rome getuigen.
Hij zei: Houd moed, Paulus.
Jij hebt in Jeruzalem van mij getuigd, en zo moet je ook in Rome getuigen.
De aanslag ontdekt
Toen het dag werd, spanden een aantal Joden samen.
Zij vervloekten zichzelf en zwoeren dat zij niet zouden eten of drinken tot zij Paulus gedood hadden.
Zij vervloekten zichzelf en zwoeren dat zij niet zouden eten of drinken tot zij Paulus gedood hadden.
Er waren meer dan 40 mannen die deze eed samen gezworen hadden.
Zij gingen naar de overpriesters en de oudsten.
Zij zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te eten tot wij Paulus gedood hebben.
Zij zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te eten tot wij Paulus gedood hebben.
Laat u met de Raad aan de commandant weten dat hij Paulus morgen naar u toe brengt.
Doe alsof u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken.
Wij staan klaar om hem te doden voordat hij bij u is.
Doe alsof u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken.
Wij staan klaar om hem te doden voordat hij bij u is.
Maar de zoon van de zus van Paulus hoorde van deze aanslag.
Hij ging naar de kazerne en vertelde het aan Paulus.
Hij ging naar de kazerne en vertelde het aan Paulus.
Paulus riep een van de officieren bij zich en zei: Breng deze jonge man naar de commandant, want hij moet hem iets vertellen.
De officier nam hem mee naar de commandant en zei: De gevangene Paulus riep mij bij zich.
Hij vroeg of ik deze jonge man bij u wilde brengen; hij heeft u iets te zeggen.
Hij vroeg of ik deze jonge man bij u wilde brengen; hij heeft u iets te zeggen.
De commandant nam hem bij de hand, ging apart staan en vroeg: Wat heb je mij te vertellen?
Hij zei: De Joden hebben afgesproken u te vragen om Paulus morgen naar de Raad te brengen.
Zij doen alsof zij iets nauwkeuriger willen onderzoeken.
Zij doen alsof zij iets nauwkeuriger willen onderzoeken.
Maar geloof hen niet.
Meer dan 40 mannen liggen op de loer.
Zij hebben zichzelf met een vloek verbonden om niet te eten of te drinken tot zij hem gedood hebben.
Nu staan zij klaar en wachten op uw toezegging.
Meer dan 40 mannen liggen op de loer.
Zij hebben zichzelf met een vloek verbonden om niet te eten of te drinken tot zij hem gedood hebben.
Nu staan zij klaar en wachten op uw toezegging.
De commandant liet de jonge man gaan.
Hij gaf hem het bevel: Vertel aan niemand dat je mij dit hebt laten weten.
Hij gaf hem het bevel: Vertel aan niemand dat je mij dit hebt laten weten.
Naar Cesarea gebracht
Hij riep twee officieren bij zich en zei: Maak 200 soldaten klaar om naar Cesarea te gaan.
Neem ook 70 ruiters en 200 speerdragers mee, vanaf het derde uur van de nacht.
Neem ook 70 ruiters en 200 speerdragers mee, vanaf het derde uur van de nacht.
Zorg ook voor rijdieren, zodat Paulus daarop kan zitten.
Breng hem veilig naar stadhouder Felix.
Breng hem veilig naar stadhouder Felix.
Hij schreef een brief met deze inhoud:
Claudius Lysias groet de zeer geachte stadhouder Felix.
Deze man was door de Joden gegrepen en zij zouden hem gedood hebben.
Ik kwam erbij met de soldaten en heb hem bevrijd, want ik had gehoord dat hij een Romein is.
Ik kwam erbij met de soldaten en heb hem bevrijd, want ik had gehoord dat hij een Romein is.
Ik wilde weten waarvan zij hem beschuldigden.
Daarom bracht ik hem naar hun Raad.
Daarom bracht ik hem naar hun Raad.
Ik ontdekte dat hij beschuldigd werd over vragen van hun wet.
Er was geen aanklacht die de dood of gevangenschap verdient.
Er was geen aanklacht die de dood of gevangenschap verdient.
Men vertelde mij dat er een aanslag op deze man beraamd zou worden.
Daarom stuur ik hem meteen naar u.
Ik heb zijn aanklagers opgedragen bij u te zeggen wat zij tegen hem hebben.
Het ga u goed.
Daarom stuur ik hem meteen naar u.
Ik heb zijn aanklagers opgedragen bij u te zeggen wat zij tegen hem hebben.
Het ga u goed.
De soldaten deden wat hun bevolen was.
Zij namen Paulus mee en brachten hem 's nachts naar Antipatris.
Zij namen Paulus mee en brachten hem 's nachts naar Antipatris.
De volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder trekken en gingen zelf terug naar de kazerne.
De ruiters kwamen in Cesarea aan, gaven de brief aan de stadhouder en brachten ook Paulus bij hem.
De stadhouder las de brief en vroeg uit welke provincie hij kwam.
Toen hij hoorde dat hij uit Cilicië kwam, zei hij:
Toen hij hoorde dat hij uit Cilicië kwam, zei hij:
Ik zal u verhoren wanneer ook uw aanklagers gekomen zijn.
Hij gaf bevel hem te bewaken in het paleis van Herodes.
Hij gaf bevel hem te bewaken in het paleis van Herodes.