Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Nieuwe Testament

Handelingen 1

De belofte van de Geest en de hemelvaart

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Jezus belooft de Heilige Geest
In mijn eerste boek heb ik geschreven over alles wat Jezus deed en leerde, beste Theofilus.
Ik schreef tot aan de dag dat Hij werd opgenomen.
Daarvoor had Hij door de Heilige Geest opdracht gegeven aan de apostelen die Hij had uitgekozen.
Na Zijn lijden liet Hij hun zien dat Hij leefde.
Veertig dagen lang verscheen Hij aan hen met veel duidelijke bewijzen.
Hij sprak met hen over het koninkrijk van God.
Toen Hij met hen samen was, gaf Hij hun deze opdracht: Ga niet weg uit Jeruzalem, maar wacht op wat de Vader beloofd heeft.
Daarover hebben jullie mij horen spreken.

Johannes doopte met water, maar over enkele dagen worden jullie gedoopt met de Heilige Geest.
De leerlingen die daar samen waren, vroegen Hem: Heere, gaat U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?
Hij zei tegen hen: Het is niet aan jullie om de tijden en momenten te weten die de Vader in Zijn eigen macht heeft vastgesteld.
Maar jullie zullen kracht ontvangen als de Heilige Geest over jullie komt.
Dan zullen jullie mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot aan het einde van de aarde.

Jezus gaat naar de hemel
Toen Hij dit gezegd had, werd Hij voor hun ogen opgenomen.
Een wolk nam Hem weg, zodat zij Hem niet meer zagen.
Zij bleven naar de hemel kijken terwijl Hij wegging.
Ineens stonden er twee mannen bij hen in witte kleren.
Die zeiden: Mannen uit Galilea, waarom staan jullie naar de hemel te kijken?
Deze Jezus, die van jullie is weggenomen naar de hemel, komt net zo terug als jullie Hem hebben zien weggaan.

Toen gingen zij terug naar Jeruzalem, van de berg die de Olijfberg heet.
Die ligt vlak bij Jeruzalem, op een sabbatsreis afstand.
Zij kwamen in de stad en gingen naar de bovenzaal waar zij verbleven.
Daar waren Petrus en Jakobus, Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs.
Ook Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, de broer van Jakobus, waren er.
Zij bleven allemaal eensgezind bidden en smeken.
De vrouwen waren erbij, en ook Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.
Matthias in de plaats van Judas
In die dagen stond Petrus op tussen de gelovigen.
Er was een groep van ongeveer 120 mensen bij elkaar.
Hij zei:
Broeders, dit schriftwoord moest in vervulling gaan.
De Heilige Geest heeft het door de mond van David gesproken over Judas, die de weg wees aan de mannen die Jezus gevangennamen.

Judas hoorde bij ons en had zijn eigen deel in deze dienst gekregen.
Van het loon voor zijn onrecht heeft hij een stuk grond gekocht.
Daar is hij voorover gevallen.
Zijn lichaam is opengebarsten en al zijn ingewanden kwamen naar buiten.

Alle inwoners van Jeruzalem hebben dat gehoord.
Daarom noemen zij dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, en dat betekent: bloedakker.

Want in het boek van de Psalmen staat geschreven: Laat zijn woonplaats leeg worden, en laat er niemand meer wonen.
En ook: Laat een ander zijn taak overnemen.

Daarom moeten wij iemand aanvullen uit de mannen die al die tijd met ons zijn opgetrokken.
Dat was de tijd waarin de Heere Jezus onder ons in- en uitging.

Die tijd begon bij de doop van Johannes en liep tot de dag dat Hij van ons werd opgenomen.
Een van hen moet samen met ons getuige zijn van Zijn opstanding.

Zij stelden er twee voor: Jozef, die Barsabbas genoemd werd en ook Justus heette, en Matthias.
Zij baden: Heere, U kent het hart van alle mensen.
Wijs van deze twee de man aan die U hebt uitgekozen.

Hij moet de plaats innemen in deze dienst als apostel.
Judas heeft die plaats verlaten en is naar zijn eigen plaats gegaan.

Zij wierpen het lot, en het lot viel op Matthias.
Zo werd hij bij de elf apostelen gerekend.

Download hoofdstuk als tekstbestand