Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Genesis 37

Jozef wordt door zijn broers verkocht

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Jozef is de lievelingszoon van Jakob
Jakob bleef wonen in Kanaän, het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond.
Dit is de familiegeschiedenis van Jakob.
Jozef was zeventien jaar en hoedde de kudde met zijn broers.
Hij werkte met de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader.
Jozef bracht een slecht bericht over hen aan zijn vader.
Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem op hoge leeftijd had gekregen.
Hij liet voor hem een veelkleurige mantel maken.
Toen zijn broers merkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, haatten zij hem.
Ze konden geen vriendelijk woord tegen hem zeggen.
De dromen van Jozef
Op een keer kreeg Jozef een droom en vertelde die aan zijn broers.
Daardoor haatten ze hem nog meer.
Jozef zei tegen hen: Luister eens naar de droom die ik heb gehad.
Wij waren midden op het veld schoven aan het binden.
Opeens ging mijn schoof rechtop staan.
Jullie schoven kwamen eromheen staan en bogen ervoor.

Zijn broers vroegen: Denk je werkelijk dat je als koning over ons zult regeren en over ons zult heersen?
Door zijn dromen en woorden haatten zij hem nog meer.
Daarna kreeg Jozef nog een droom.
Hij vertelde die aan zijn broers en zei: Ik heb opnieuw gedroomd.
Deze keer bogen de zon, de maan en elf sterren voor mij.

Toen hij de droom aan zijn vader en broers vertelde, berispte zijn vader hem: Wat is dat voor een droom?
Moeten je moeder, je broers en ik werkelijk komen en ons voor jou neerbuigen?

Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bleef over deze woorden nadenken.
Jozef zoekt zijn broers
Op een dag gingen zijn broers de kudde van hun vader bij Sichem hoeden.
Israël zei tegen Jozef: Je broers hoeden de kudde bij Sichem.
Kom, ik wil je naar hen sturen.

Jozef antwoordde: Ik ben klaar om te gaan.
Israël zei: Ga kijken hoe het met je broers en de kudde gaat.
Kom daarna terug en vertel het mij.

Hij stuurde hem vanuit het dal van Hebron op weg.
Jozef kwam in Sichem aan.
Een man vond hem terwijl hij verdwaald over het veld rondliep.
De man vroeg: Wat zoek je?
Jozef antwoordde: Ik zoek mijn broers.
Kunt u mij vertellen waar zij de kudde hoeden?

De man antwoordde: Ze zijn hiervandaan vertrokken.
Ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan.

Jozef ging zijn broers achterna en vond hen in Dothan.
De broers gooien Jozef in een put
Zijn broers zagen hem al van ver aankomen.
Voordat hij bij hen was, maakten zij een plan om hem te doden.
Ze zeiden tegen elkaar: Kijk, daar komt die dromer aan!
Kom, laten we hem doden en in een van deze putten gooien.
We zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opgegeten.
Dan zullen we zien wat er van zijn dromen terechtkomt.

Ruben hoorde hun plan en probeerde Jozef te redden.
Hij zei: We mogen hem niet doden.
Ruben zei ook tegen hen: Vergiet geen bloed.
Gooi hem in deze put in de woestijn, maar raak hem verder niet aan.

Ruben wilde hem uit hun handen redden en naar zijn vader terugbrengen.
Toen Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem zijn veelkleurige mantel uit.
Ze grepen hem en gooiden hem in de put.
De put was leeg en er stond geen water in.
Jozef wordt verkocht
Daarna gingen zij zitten om te eten.
Ze keken op en zagen een karavaan Ismaëlieten uit Gilead aankomen.
Hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre naar Egypte.
Juda zei tegen zijn broers: Wat winnen we ermee als we onze broer doden en zijn dood geheimhouden?
Kom, laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem zelf te doden.
Hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.

Zijn broers stemden ermee in.
Toen Midianitische handelaars voorbijkwamen, werd Jozef uit de put gehaald.
Hij werd voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten verkocht.
Die brachten hem naar Egypte.
Jakob wordt misleid en rouwt
Toen Ruben bij de put terugkwam, was Jozef verdwenen.
Hij scheurde van verdriet zijn kleren.
Hij ging terug naar zijn broers en riep: De jongen is weg!
Waar moet ik nu heen?

De broers namen Jozefs mantel, slachtten een geitenbok en dompelden de mantel in het bloed.
Ze lieten de veelkleurige mantel bij hun vader brengen en zeiden: Deze hebben we gevonden.
Kijk goed of dit de mantel van je zoon is.

Jakob herkende de mantel en riep: Het is de mantel van mijn zoon!
Een wild dier heeft hem opgegeten.
Jozef is zeker verscheurd!

Jakob scheurde zijn kleren en deed een rouwkleed om.
Hij rouwde vele dagen om zijn zoon.
Al zijn zonen en dochters probeerden hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden.
Hij zei: Ik blijf rouwen totdat ik bij mijn zoon in het graf kom.
Zo bleef zijn vader om hem huilen.
Jozef komt bij Potifar terecht
Ondertussen verkochten de Midianieten Jozef in Egypte aan Potifar.
Hij was een hoveling van Farao en het hoofd van de lijfwacht.

Download hoofdstuk als tekstbestand