Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Genesis 33

Jakob en Ezau ontmoeten elkaar weer

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Jakob en Ezau ontmoeten elkaar
Jakob keek op en zag Ezau aankomen met vierhonderd mannen.
Daarom verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en de twee dienaressen.
Hij zette de dienaressen met hun kinderen vooraan, Lea met haar kinderen daarachter en Rachel met Jozef helemaal achteraan.
Zelf liep Jakob voor hen uit.
Zeven keer boog hij diep naar de grond, totdat hij bij zijn broer kwam.
Ezau rende hem tegemoet, sloeg zijn armen om hem heen, viel hem om de hals en kuste hem.
Daarna huilden ze samen.
Ezau ontmoet Jakobs gezin
Toen Ezau de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: Wie zijn deze mensen bij jou?
Jakob antwoordde: Dit zijn de kinderen die God in Zijn goedheid aan uw dienaar heeft gegeven.
De dienaressen kwamen met hun kinderen dichterbij en bogen diep.
Ook Lea en haar kinderen kwamen dichterbij en bogen.
Daarna kwamen Jozef en Rachel naar voren en bogen ook.
Ezau neemt Jakobs geschenk aan
Ezau vroeg: Wat wilde je bereiken met al die groepen dieren die ik onderweg tegenkwam?
Jakob antwoordde: Ik wilde dat u mij goedgezind zou zijn.
Maar Ezau zei: Mijn broer, ik heb zelf al genoeg.
Houd wat je hebt maar zelf.

Jakob antwoordde: Nee, alstublieft!
Als u mij goedgezind bent, neem dit geschenk dan van mij aan.
Toen ik u zag, was het alsof ik het gezicht van God zag.
U hebt mij vriendelijk ontvangen.

Neem toch het geschenk aan dat ik u heb gebracht.
God heeft mij veel gegeven, zodat ik alles heb wat ik nodig heb.

Jakob bleef aandringen.
Uiteindelijk nam Ezau het geschenk aan.
Jakob en Ezau gaan ieder hun weg
Daarna zei Ezau: Laten we verder reizen.
Ik zal vooropgaan.

Maar Jakob antwoordde: Mijn heer weet dat de kinderen nog jong zijn.
Ook moet ik zorgen voor schapen en runderen die hun jongen zogen.
Als ze één dag te hard worden voortgedreven, sterft de hele kudde.

Laat mijn heer maar voor zijn dienaar uit reizen.
Ik trek rustig verder, in het tempo van het vee en de kinderen.
Uiteindelijk kom ik dan bij mijn heer in Seïr.

Ezau zei: Laat mij dan enkele mannen uit mijn groep bij je achterlaten.
Jakob antwoordde: Dat is niet nodig.
Als mijn heer mij maar goedgezind blijft.

Diezelfde dag begon Ezau aan de terugreis naar Seïr.
Jakob reisde verder naar Sukkoth.
Daar bouwde hij een huis voor zichzelf en hutten voor zijn vee.
Daarom noemde hij de plaats Sukkoth.
Jakob komt aan bij Sichem
Na zijn reis uit Paddan-Aram kwam Jakob veilig aan bij de stad Sichem, in Kanaän.
Hij sloeg zijn kamp op bij de stad.
Voor honderd geldstukken kocht hij van de zonen van Hemor het stuk grond waarop hij zijn tent had opgezet.
Hemor was de vader van Sichem.
Daar bouwde Jakob een altaar.
Hij noemde het: God is de God van Israël.

Download hoofdstuk als tekstbestand