Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 32
Jakob worstelt met God
Engelen ontmoeten Jakob
Jakob vervolgde zijn reis.
Toen kwamen engelen van God hem tegemoet.
Toen kwamen engelen van God hem tegemoet.
Toen Jakob hen zag, zei hij: Dit is het leger van God!
Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm.
Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm.
Jakob bereidt zich voor op Ezau
Jakob stuurde boodschappers voor zich uit naar zijn broer Ezau.
Die woonde in het land Seïr, het gebied van Edom.
Die woonde in het land Seïr, het gebied van Edom.
Hij gaf hun deze opdracht: Dit zegt uw dienaar Jakob tegen mijn heer Ezau: Ik heb tot nu toe als vreemdeling bij Laban gewoond.
Ik bezit runderen, ezels, schapen, geiten, dienaren en dienaressen.
Daarom stuur ik deze boodschap aan mijn heer.
Ik hoop dat u mij vriendelijk ontvangt.
Daarom stuur ik deze boodschap aan mijn heer.
Ik hoop dat u mij vriendelijk ontvangt.
De boodschappers kwamen terug en zeiden tegen Jakob: Wij zijn bij uw broer Ezau geweest.
Hij komt u tegemoet met vierhonderd mannen.
Hij komt u tegemoet met vierhonderd mannen.
Jakob werd doodsbang.
Hij verdeelde zijn mensen, schapen, geiten, runderen en kamelen in twee groepen.
Hij verdeelde zijn mensen, schapen, geiten, runderen en kamelen in twee groepen.
Hij dacht: Als Ezau de ene groep aanvalt en verslaat, kan de andere groep ontsnappen.
Jakob bidt om bescherming
Daarna bad Jakob: God van mijn voorvader Abraham en mijn vader Izak, HEERE, U hebt tegen mij gezegd: Keer terug naar je land en familie.
Ik zal goed voor je zijn.
Ik zal goed voor je zijn.
Ik ben al Uw liefde en trouw niet waard, hoewel U die aan Uw dienaar hebt bewezen.
Met alleen mijn stok stak ik deze Jordaan over.
Nu ben ik uitgegroeid tot twee grote groepen.
Met alleen mijn stok stak ik deze Jordaan over.
Nu ben ik uitgegroeid tot twee grote groepen.
Red mij toch uit de handen van mijn broer Ezau.
Ik ben bang dat hij ons aanvalt en moeders én kinderen doodt.
Ik ben bang dat hij ons aanvalt en moeders én kinderen doodt.
U hebt toch beloofd: Ik zal goed voor je zijn.
Ik zal je nakomelingen ontelbaar maken als het zand van de zee.
Ik zal je nakomelingen ontelbaar maken als het zand van de zee.
Jakob stuurt geschenken naar Ezau
Jakob bracht daar die nacht door.
Uit zijn bezit koos hij een geschenk voor zijn broer Ezau.
Uit zijn bezit koos hij een geschenk voor zijn broer Ezau.
Het waren tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen.
Ook gaf hij dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.
Hij verdeelde de dieren in afzonderlijke kudden en gaf elke kudde aan een dienaar.
Hij zei: Trek voor mij uit en houd ruimte tussen de kudden.
Hij zei: Trek voor mij uit en houd ruimte tussen de kudden.
Tegen de eerste dienaar zei hij: Wanneer mijn broer Ezau je ontmoet, zal hij vragen: Bij wie hoor je?
Waar ga je heen?
Van wie zijn de dieren voor je?
Waar ga je heen?
Van wie zijn de dieren voor je?
Antwoord dan: Deze dieren zijn een geschenk van uw dienaar Jakob aan mijn heer Ezau.
Jakob zelf komt achter ons aan.
Jakob zelf komt achter ons aan.
Jakob gaf dezelfde opdracht aan de tweede, de derde en alle andere dienaren die achter de kudden liepen.
Hij zei: Spreek zo tegen Ezau wanneer jullie hem ontmoeten.
Hij zei: Spreek zo tegen Ezau wanneer jullie hem ontmoeten.
Zeg ook: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.
Jakob dacht: Met het geschenk dat voor mij uitgaat, wil ik hem gunstig stemmen.
Daarna kan ik hem ontmoeten.
Misschien neemt hij mij vriendelijk aan.
Jakob dacht: Met het geschenk dat voor mij uitgaat, wil ik hem gunstig stemmen.
Daarna kan ik hem ontmoeten.
Misschien neemt hij mij vriendelijk aan.
Zo ging het geschenk voor Jakob uit.
Zelf bracht hij die nacht in het kamp door.
Zelf bracht hij die nacht in het kamp door.
Jakob steekt de Jabbok over
Diezelfde nacht stond Jakob op.
Hij nam zijn twee vrouwen, twee dienaressen en elf kinderen mee en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.
Hij nam zijn twee vrouwen, twee dienaressen en elf kinderen mee en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.
Hij hielp hen de beek over en liet daarna al zijn bezittingen naar de overkant brengen.
Jakob worstelt met God
Jakob bleef alleen achter.
Toen worstelde een man met hem totdat de dag aanbrak.
Toen worstelde een man met hem totdat de dag aanbrak.
Toen de man merkte dat Hij Jakob niet kon overwinnen, raakte Hij Jakobs heupgewricht aan.
Tijdens het worstelen schoot de heup uit de kom.
Tijdens het worstelen schoot de heup uit de kom.
De man zei: Laat mij gaan, want de dag breekt aan.
Jakob antwoordde: Ik laat U alleen gaan als U mij zegent.
Jakob antwoordde: Ik laat U alleen gaan als U mij zegent.
De man vroeg: Hoe heet je?
Hij antwoordde: Jakob.
Hij antwoordde: Jakob.
De man zei: Je zult niet langer Jakob heten, maar Israël.
Je hebt met God en mensen gestreden en hebt overwonnen.
Je hebt met God en mensen gestreden en hebt overwonnen.
Toen vroeg Jakob: Wilt U mij alstublieft Uw naam vertellen?
De man antwoordde: Waarom vraag je naar mijn naam?
Daarna zegende Hij Jakob daar.
De man antwoordde: Waarom vraag je naar mijn naam?
Daarna zegende Hij Jakob daar.
Jakob noemde die plaats Pniël, want hij zei: Ik heb God van aangezicht tot aangezicht gezien en toch is mijn leven gered.
De zon kwam op toen hij Pniël voorbijging.
Hij liep mank door zijn heup.
Hij liep mank door zijn heup.
Daarom eten de Israëlieten tot op de dag van vandaag niet de heupspier die over het heupgewricht loopt.
De man had Jakobs heupgewricht bij die spier aangeraakt.
De man had Jakobs heupgewricht bij die spier aangeraakt.