Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 28
Jakob op weg naar Paddan-Aram
Izak stuurt Jakob naar Paddan-Aram
Izak liet Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: Trouw niet met een Kanaänitische vrouw.
Ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuël, de vader van je moeder.
Kies daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder.
Kies daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder.
Moge God, de Almachtige, je zegenen.
Moge Hij je vruchtbaar maken en veel nakomelingen geven, zodat uit jou een menigte volken ontstaat.
Moge Hij je vruchtbaar maken en veel nakomelingen geven, zodat uit jou een menigte volken ontstaat.
Moge Hij jou en je nakomelingen de zegen van Abraham geven.
Dan zul je het land bezitten waarin je als vreemdeling woont, het land dat God aan Abraham gaf.
Dan zul je het land bezitten waarin je als vreemdeling woont, het land dat God aan Abraham gaf.
Izak stuurde Jakob weg.
Jakob vertrok naar Paddan-Aram, naar Laban.
Laban was een zoon van de Arameeër Bethuël en een broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.
Jakob vertrok naar Paddan-Aram, naar Laban.
Laban was een zoon van de Arameeër Bethuël en een broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.
Ezau trouwt met Mahalath
Ezau zag dat Izak Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te zoeken.
Daarbij had Izak hem opgedragen: Trouw niet met een Kanaänitische vrouw.
Daarbij had Izak hem opgedragen: Trouw niet met een Kanaänitische vrouw.
Ezau zag ook dat Jakob zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was vertrokken.
Ezau merkte ook dat zijn vader Izak de Kanaänitische vrouwen afkeurde.
Toen ging Ezau naar Ismaël.
Naast zijn andere vrouwen trouwde hij met Mahalath, de dochter van Abrahams zoon Ismaël en de zus van Nebajoth.
Naast zijn andere vrouwen trouwde hij met Mahalath, de dochter van Abrahams zoon Ismaël en de zus van Nebajoth.
Jakob droomt bij Beth-el
Jakob vertrok uit Berseba en ging op weg naar Haran.
Onderweg kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten, omdat de zon was ondergegaan.
Hij nam een steen van die plek als hoofdkussen en ging daar slapen.
Hij nam een steen van die plek als hoofdkussen en ging daar slapen.
In zijn droom zag hij een ladder die op de aarde stond en met de bovenkant tot aan de hemel reikte.
Engelen van God gingen erlangs omhoog en omlaag.
Engelen van God gingen erlangs omhoog en omlaag.
Bovenaan de ladder stond de HEERE.
Hij zei: Ik ben de HEERE, de God van je voorvader Abraham en de God van Izak.
Ik geef dit land, waarop je ligt, aan jou en je nakomelingen.
Hij zei: Ik ben de HEERE, de God van je voorvader Abraham en de God van Izak.
Ik geef dit land, waarop je ligt, aan jou en je nakomelingen.
Je nakomelingen zullen zo talrijk worden als het stof van de aarde.
Ze zullen zich verspreiden naar het westen en oosten, naar het noorden en zuiden.
Door jou en je nakomelingen zullen alle families op aarde gezegend worden.
Ze zullen zich verspreiden naar het westen en oosten, naar het noorden en zuiden.
Door jou en je nakomelingen zullen alle families op aarde gezegend worden.
Ik ben bij je en zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat.
Ik zal je naar dit land terugbrengen.
Ik verlaat je niet voordat ik alles heb gedaan wat ik je heb beloofd.
Ik zal je naar dit land terugbrengen.
Ik verlaat je niet voordat ik alles heb gedaan wat ik je heb beloofd.
Jakob richt een gedenksteen op
Toen Jakob wakker werd, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, maar ik wist het niet!
Hij werd bang en zei: Wat een ontzagwekkende plaats is dit!
Dit is werkelijk Gods huis en de poort van de hemel.
Dit is werkelijk Gods huis en de poort van de hemel.
De volgende ochtend stond Jakob vroeg op.
Hij nam de steen die onder zijn hoofd had gelegen en zette hem rechtop als gedenksteen.
Daarna goot hij er olie overheen.
Hij nam de steen die onder zijn hoofd had gelegen en zette hem rechtop als gedenksteen.
Daarna goot hij er olie overheen.
Hij noemde die plaats Beth-el.
De stad heette vroeger Luz.
De stad heette vroeger Luz.
Jakob legt een gelofte af
Jakob legde een gelofte af.
Hij zei: God moet bij mij zijn, mij onderweg beschermen en mij eten en kleren geven.
Hij zei: God moet bij mij zijn, mij onderweg beschermen en mij eten en kleren geven.
Ook moet ik veilig terugkeren naar het huis van mijn vader.
Dan zal de HEERE mijn God zijn.
Dan zal de HEERE mijn God zijn.
Deze steen, die ik als gedenksteen heb neergezet, zal een huis van God worden.
Van alles wat U mij geeft, zal ik U zeker een tiende geven.
Van alles wat U mij geeft, zal ik U zeker een tiende geven.