Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 27
Jakob ontvangt de zegen voor Ezau
Izak wil Ezau zegenen
Toen Izak oud was, waren zijn ogen zo slecht geworden dat hij niet meer kon zien.
Hij riep zijn oudste zoon Ezau: Mijn zoon!
Ezau antwoordde: Hier ben ik.
Hij riep zijn oudste zoon Ezau: Mijn zoon!
Ezau antwoordde: Hier ben ik.
Izak zei: Ik ben oud en weet niet wanneer ik zal sterven.
Pak daarom je pijlkoker en boog.
Ga het veld in en jaag voor mij op wild.
Ga het veld in en jaag voor mij op wild.
Maak daarvan een smakelijke maaltijd zoals ik die graag eet en breng hem bij mij.
Dan kan ik eten en je zegenen voordat ik sterf.
Dan kan ik eten en je zegenen voordat ik sterf.
Rebekka bereidt Jakob voor
Rebekka luisterde mee toen Izak met zijn zoon Ezau sprak.
Daarna ging Ezau het veld in om wild te jagen en mee terug te brengen.
Daarna ging Ezau het veld in om wild te jagen en mee terug te brengen.
Toen zei Rebekka tegen haar zoon Jakob: Ik hoorde je vader tegen je broer Ezau zeggen:
Breng mij wild en maak een smakelijke maaltijd voor mij.
Dan kan ik eten en je vóór mijn dood zegenen in de aanwezigheid van de HEERE.
Dan kan ik eten en je vóór mijn dood zegenen in de aanwezigheid van de HEERE.
Luister nu goed naar mij, mijn zoon, en doe wat ik je opdraag.
Ga naar de kudde en haal twee goede geitenbokjes voor mij.
Ik maak daarvan een smakelijke maaltijd voor je vader, precies zoals hij die graag eet.
Ik maak daarvan een smakelijke maaltijd voor je vader, precies zoals hij die graag eet.
Breng die naar je vader zodat hij kan eten en je vóór zijn dood zegent.
Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: Mijn broer Ezau is behaard, maar mijn huid is glad.
Misschien betast vader mij.
Dan merkt hij dat ik hem bedrieg.
Zo haal ik een vloek over mij in plaats van een zegen.
Dan merkt hij dat ik hem bedrieg.
Zo haal ik een vloek over mij in plaats van een zegen.
Zijn moeder antwoordde: Laat die vloek dan op mij komen, mijn zoon.
Luister alleen naar mij en haal de bokjes.
Luister alleen naar mij en haal de bokjes.
Jakob ging de bokjes halen en bracht ze naar zijn moeder.
Zij maakte daarvan een smakelijke maaltijd zoals zijn vader die graag at.
Zij maakte daarvan een smakelijke maaltijd zoals zijn vader die graag at.
Daarna pakte Rebekka de mooiste kleren van haar oudste zoon Ezau die zij thuis bewaarde.
Ze trok die haar jongste zoon Jakob aan.
Ze trok die haar jongste zoon Jakob aan.
Over Jakobs handen en gladde hals legde zij de huiden van de geitenbokjes.
Toen gaf zij Jakob de smakelijke maaltijd en het brood dat zij had klaargemaakt.
Jakob ontvangt Izaks zegen
Jakob ging naar zijn vader en zei: Vader!
Izak antwoordde: Hier ben ik.
Wie ben je, mijn zoon?
Izak antwoordde: Hier ben ik.
Wie ben je, mijn zoon?
Jakob antwoordde zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeboren zoon.
Ik heb gedaan wat u vroeg.
Ga overeind zitten en eet van mijn wild.
Daarna kunt u mij zegenen.
Ik heb gedaan wat u vroeg.
Ga overeind zitten en eet van mijn wild.
Daarna kunt u mij zegenen.
Izak vroeg zijn zoon: Hoe heb je zo snel iets gevonden, mijn zoon?
Jakob antwoordde: De HEERE, uw God, bracht het dier zo snel op mijn pad.
Jakob antwoordde: De HEERE, uw God, bracht het dier zo snel op mijn pad.
Izak zei tegen Jakob: Kom eens dichterbij, mijn zoon.
Dan kan ik voelen of je werkelijk mijn zoon Ezau bent.
Dan kan ik voelen of je werkelijk mijn zoon Ezau bent.
Jakob kwam dichter bij zijn vader Izak, die hem betastte.
Izak zei: De stem is die van Jakob, maar de handen zijn die van Ezau.
Izak zei: De stem is die van Jakob, maar de handen zijn die van Ezau.
Izak herkende hem niet, omdat zijn handen even behaard waren als die van zijn broer Ezau.
Daarom zegende hij hem.
Daarom zegende hij hem.
Izak vroeg: Ben je werkelijk mijn zoon Ezau?
Jakob antwoordde: Ja, dat ben ik.
Jakob antwoordde: Ja, dat ben ik.
Izak zei: Zet het eten voor mij neer.
Dan eet ik van het wild van mijn zoon en kan ik je zegenen.
Jakob zette het voor hem neer en Izak at ervan.
Jakob bracht hem ook wijn, die hij opdronk.
Dan eet ik van het wild van mijn zoon en kan ik je zegenen.
Jakob zette het voor hem neer en Izak at ervan.
Jakob bracht hem ook wijn, die hij opdronk.
Daarna zei zijn vader Izak: Kom wat dichterbij en kus mij, mijn zoon.
Jakob kwam dichterbij en kuste hem.
Izak rook de geur van zijn kleren.
Toen zegende hij hem: De geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat de HEERE heeft gezegend.
Izak rook de geur van zijn kleren.
Toen zegende hij hem: De geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat de HEERE heeft gezegend.
Moge God je dauw uit de hemel en vruchtbare grond geven, met een overvloed aan graan en jonge wijn.
Volken zullen je dienen en naties zullen voor je buigen.
Heers over je broers; de zonen van je moeder zullen voor je buigen.
Wie jou vervloekt, zal vervloekt zijn.
Wie jou zegent, zal gezegend zijn.
Heers over je broers; de zonen van je moeder zullen voor je buigen.
Wie jou vervloekt, zal vervloekt zijn.
Wie jou zegent, zal gezegend zijn.
Ezau vraagt om een zegen
Nauwelijks had Izak Jakob gezegend en was Jakob bij hem weggegaan, of zijn broer Ezau kwam terug van de jacht.
Ezau maakte een smakelijke maaltijd en bracht die naar zijn vader.
Hij zei: Vader, ga overeind zitten en eet van het wild dat uw zoon heeft meegebracht.
Daarna kunt u mij zegenen.
Hij zei: Vader, ga overeind zitten en eet van het wild dat uw zoon heeft meegebracht.
Daarna kunt u mij zegenen.
Zijn vader Izak vroeg: Wie ben je?
Ezau antwoordde: Ik ben uw zoon Ezau, uw eerstgeborene.
Ezau antwoordde: Ik ben uw zoon Ezau, uw eerstgeborene.
Izak schrok zo hevig dat hij over zijn hele lichaam beefde.
Hij vroeg: Wie heeft dan op wild gejaagd en mij eten gebracht?
Ik heb ervan gegeten voordat jij kwam.
Ik heb hem gezegend, en hij zal gezegend blijven.
Hij vroeg: Wie heeft dan op wild gejaagd en mij eten gebracht?
Ik heb ervan gegeten voordat jij kwam.
Ik heb hem gezegend, en hij zal gezegend blijven.
Toen Ezau dit hoorde, schreeuwde hij luid en bitter.
Hij smeekte zijn vader: Zegen mij, ook mij, vader!
Hij smeekte zijn vader: Zegen mij, ook mij, vader!
Izak antwoordde: Je broer is met bedrog gekomen en heeft jouw zegen afgenomen.
Ezau zei: Is hij niet terecht Jakob genoemd?
Hij heeft me nu twee keer bedrogen.
Hij heeft mijn eerstgeboorterecht afgenomen en nu ook mijn zegen!
Hebt u dan geen zegen voor mij bewaard?
Hij heeft me nu twee keer bedrogen.
Hij heeft mijn eerstgeboorterecht afgenomen en nu ook mijn zegen!
Hebt u dan geen zegen voor mij bewaard?
Izak antwoordde Ezau: Ik heb hem over jou aangesteld als heer en al zijn broers als dienaren aan hem gegeven.
Ook heb ik hem voorzien van graan en jonge wijn.
Wat kan ik nu nog voor jou doen, mijn zoon?
Ook heb ik hem voorzien van graan en jonge wijn.
Wat kan ik nu nog voor jou doen, mijn zoon?
Ezau vroeg zijn vader: Hebt u dan maar één zegen, vader?
Zegen mij ook, mijn vader!
Daarna begon Ezau luid te huilen.
Zegen mij ook, mijn vader!
Daarna begon Ezau luid te huilen.
Toen antwoordde zijn vader Izak: Je woongebied zal vruchtbare grond hebben en dauw uit de hemel ontvangen.
Je zult van je zwaard leven en je broer dienen.
Maar wanneer je zelf de macht krijgt, zul je zijn juk van je nek afrukken.
Maar wanneer je zelf de macht krijgt, zul je zijn juk van je nek afrukken.
Rebekka stuurt Jakob weg
Ezau haatte Jakob vanwege de zegen die hun vader hem had gegeven.
Hij dacht: Binnenkort sterft mijn vader en breekt de rouwtijd aan.
Daarna zal ik mijn broer Jakob doden.
Hij dacht: Binnenkort sterft mijn vader en breekt de rouwtijd aan.
Daarna zal ik mijn broer Jakob doden.
Toen Rebekka hoorde wat haar oudste zoon Ezau had gezegd, liet zij haar jongste zoon Jakob roepen.
Ze zei: Je broer Ezau is van plan je te doden.
Die gedachte troost hem.
Ze zei: Je broer Ezau is van plan je te doden.
Die gedachte troost hem.
Luister daarom naar mij, mijn zoon.
Vlucht onmiddellijk naar mijn broer Laban in Haran.
Vlucht onmiddellijk naar mijn broer Laban in Haran.
Blijf een tijdje bij hem, totdat de woede van je broer is gezakt.
Wacht totdat zijn boosheid tegen jou voorbij is en hij vergeten is wat je hem hebt aangedaan.
Dan laat ik je daar ophalen.
Waarom zou ik jullie allebei op één dag verliezen?
Dan laat ik je daar ophalen.
Waarom zou ik jullie allebei op één dag verliezen?
Rebekka zei tegen Izak: De Hethitische vrouwen maken mijn leven ondraaglijk.
Als Jakob ook met zo'n Hethitische vrouw uit dit land trouwt, heeft mijn leven geen zin meer.
Als Jakob ook met zo'n Hethitische vrouw uit dit land trouwt, heeft mijn leven geen zin meer.