Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Genesis 14

Abram bevrijdt Lot

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Vijf koningen komen in opstand
In die tijd regeerden Amrafel over Sinear, Arioch over Ellasar, Kedor-laomer over Elam en Tideal over verschillende volken.
Deze vier koningen voerden oorlog tegen vijf koningen: Bera van Sodom, Birsa van Gomorra, Sinab van Adama en Semeber van Zeboim.
De vijfde was de koning van Bela, dat ook Zoar heet.
Deze vijf koningen verzamelden hun legers in het dal Siddim, waar nu de Zoutzee ligt.
Twaalf jaar lang hadden zij Kedor-laomer gediend.
In het dertiende jaar kwamen ze tegen hem in opstand.
Kedor-laomer verslaat zijn tegenstanders
In het veertiende jaar trok Kedor-laomer met zijn bondgenoten op.
Zij versloegen de Refaïeten in Asteroth-karnaim, de Zuzieten in Ham en de Emieten in Schave-kiriathaim.
Ook versloegen zij de Horieten in het bergland Seïr, tot aan de vlakte van Paran bij de woestijn.
Daarna keerden zij om en kwamen bij En-mispat, dat ook Kades heet.
Zij veroverden het hele gebied van de Amalekieten.
Ook versloegen zij de Amorieten die in Hazezon-thamar woonden.
Toen trokken de koningen van Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim en Bela, dat ook Zoar heet, ten strijde.
In het dal Siddim stelden ze hun legers op.
Ze vochten tegen Kedor-laomer van Elam, Tideal van de volken, Amrafel van Sinear en Arioch van Ellasar: vier koningen tegen vijf.
Het dal Siddim zat vol asfaltputten.
Toen de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, vielen ze daarin.
De andere soldaten vluchtten de bergen in.
De overwinnaars namen alle bezittingen en al het voedsel uit Sodom en Gomorra mee.
Daarna trokken ze weg.
Ze namen ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met al zijn bezittingen.
Lot woonde namelijk in Sodom.
Abram bevrijdt Lot
Iemand die ontsnapt was, vertelde het aan Abram de Hebreeër.
Hij woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre.
Mamre was de broer van Eskol en Aner.
Deze drie waren Abrams bondgenoten.
Toen Abram hoorde dat zijn familielid gevangengenomen was, bewapende hij de 318 geoefende mannen die in zijn huis geboren waren.
Hij achtervolgde de vijand tot Dan.
Die nacht verdeelde Abram zijn mannen in groepen en viel hij de vijand aan.
Hij versloeg hen en achtervolgde hen tot Hoba, ten noorden van Damaskus.
Abram bracht alle buit terug.
Ook bracht hij Lot en al zijn bezittingen terug, samen met de vrouwen en de andere mensen.
Melchizedek zegent Abram
Na Abrams overwinning op Kedor-laomer en zijn bondgenoten kwam de koning van Sodom hem tegemoet in het dal Schave, het Koningsdal.
Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn naar buiten.
Hij was priester van de allerhoogste God.
Melchizedek zegende Abram en zei: Moge de allerhoogste God, die hemel en aarde bezit, Abram zegenen!
Gezegend is de allerhoogste God, die je vijanden aan jou heeft overgeleverd!
Daarna gaf Abram hem een tiende van alles.
Abram weigert de buit
De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen terug, maar houd de bezittingen zelf.
Abram antwoordde de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven en bij de HEERE gezworen, de allerhoogste God die hemel en aarde bezit.
Ik zal niets van jou aannemen, zelfs geen draad of schoenriem.
Zo kun je nooit zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.

Ik wil zelf niets.
Alleen wat de jonge mannen hebben gegeten, telt niet mee.
Aner, Eskol en Mamre moeten wel hun eigen deel krijgen.

Download hoofdstuk als tekstbestand