Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Ezra 9
Het gebed van Ezra
De melding van de leiders
Toen dit alles gedaan was, kwamen de leiders naar mij toe.
Zij zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van deze landen.
Zij doen hun gruwelijke dingen na: die van de Kanaänieten, Hethieten, Ferezieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
Zij zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van deze landen.
Zij doen hun gruwelijke dingen na: die van de Kanaänieten, Hethieten, Ferezieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
Zij hebben dochters van die volken tot vrouw genomen, voor zichzelf en voor hun zonen.
Zo is het heilige volk vermengd met de volken van deze landen.
De leiders en bestuurders gingen daarin voorop.
Zo is het heilige volk vermengd met de volken van deze landen.
De leiders en bestuurders gingen daarin voorop.
Toen ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel.
Ik trok haren uit mijn hoofd en mijn baard en zat verslagen neer.
Ik trok haren uit mijn hoofd en mijn baard en zat verslagen neer.
Iedereen die beefde voor de woorden van de God van Israël, kwam bij mij.
Zij deden dat om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen.
Ik bleef verslagen zitten tot het avondoffer.
Zij deden dat om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen.
Ik bleef verslagen zitten tot het avondoffer.
Het gebed van Ezra
Bij het avondoffer stond ik op uit mijn rouw, met mijn gescheurde kleed en mantel.
Ik knielde neer en spreidde mijn handen uit naar de HEERE, mijn God.
Ik knielde neer en spreidde mijn handen uit naar de HEERE, mijn God.
Ik zei: Mijn God, ik schaam mij diep om mijn gezicht naar U op te heffen.
Onze zonden zijn ons boven het hoofd gegroeid en onze schuld reikt tot aan de hemel.
Onze zonden zijn ons boven het hoofd gegroeid en onze schuld reikt tot aan de hemel.
Vanaf de dagen van onze voorouders hebben wij grote schuld, tot vandaag toe.
Om onze zonden zijn wij overgegeven aan de koningen van de landen, wij, onze koningen en onze priesters.
Dat gebeurde door het zwaard, gevangenschap, plundering en schande, zoals vandaag nog.
Om onze zonden zijn wij overgegeven aan de koningen van de landen, wij, onze koningen en onze priesters.
Dat gebeurde door het zwaard, gevangenschap, plundering en schande, zoals vandaag nog.
Maar nu is er even genade geweest van de HEERE, onze God.
Hij heeft ons een groep laten ontkomen en ons een houvast gegeven op zijn heilige plaats.
Zo maakt onze God onze ogen weer helder en geeft Hij ons een beetje leven in onze slavernij.
Hij heeft ons een groep laten ontkomen en ons een houvast gegeven op zijn heilige plaats.
Zo maakt onze God onze ogen weer helder en geeft Hij ons een beetje leven in onze slavernij.
Wij zijn immers slaven.
Maar onze God heeft ons in onze slavernij niet verlaten.
Hij heeft ons trouw laten vinden bij de koningen van Perzië.
Zo gaf Hij ons een beetje leven om het huis van onze God op te bouwen en de puinhopen ervan te herstellen.
Ook gaf Hij ons bescherming in Juda en Jeruzalem.
Maar onze God heeft ons in onze slavernij niet verlaten.
Hij heeft ons trouw laten vinden bij de koningen van Perzië.
Zo gaf Hij ons een beetje leven om het huis van onze God op te bouwen en de puinhopen ervan te herstellen.
Ook gaf Hij ons bescherming in Juda en Jeruzalem.
En nu, onze God, wat moeten wij hierna nog zeggen?
Wij hebben uw geboden verlaten.
Wij hebben uw geboden verlaten.
U hebt die geboden door uw dienaren, de profeten, gegeven.
U zei: Het land dat jullie in bezit gaan nemen, is een onrein land.
De volken van die landen hebben het met hun gruwelijke daden bevuild, van het ene einde tot het andere.
U zei: Het land dat jullie in bezit gaan nemen, is een onrein land.
De volken van die landen hebben het met hun gruwelijke daden bevuild, van het ene einde tot het andere.
Geef daarom jullie dochters niet aan hun zonen en neem hun dochters niet voor jullie zonen.
Zoek nooit hun vrede of hun voorspoed.
Dan worden jullie sterk, eten jullie het goede van het land en laten jullie het voor altijd aan jullie kinderen na.
Zoek nooit hun vrede of hun voorspoed.
Dan worden jullie sterk, eten jullie het goede van het land en laten jullie het voor altijd aan jullie kinderen na.
Alles wat ons overkomen is, kwam door onze slechte daden en onze grote schuld.
En toch, onze God, hebt U ons minder gestraft dan onze zonden verdienden en ons een groep laten ontkomen.
En toch, onze God, hebt U ons minder gestraft dan onze zonden verdienden en ons een groep laten ontkomen.
Zouden wij dan opnieuw uw geboden breken en ons verzwageren met de volken van deze gruwelijke daden?
Zou U niet zo woedend op ons worden dat er niemand overblijft en niemand ontkomt?
Zou U niet zo woedend op ons worden dat er niemand overblijft en niemand ontkomt?
HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig.
Wij zijn overgebleven als een kleine groep, zoals het vandaag is.
Kijk, wij staan met onze schuld voor U, en zo kan niemand voor U bestaan.
Wij zijn overgebleven als een kleine groep, zoals het vandaag is.
Kijk, wij staan met onze schuld voor U, en zo kan niemand voor U bestaan.