Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezra 8

De tocht van Ezra naar Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Wie met Ezra meetrokken
Dit zijn de familiehoofden met hun geslachtsregister die met mij uit Babel optrokken, tijdens de regering van koning Arthahsasta.
Van de nakomelingen van Pinehas: Gersom.
Van de nakomelingen van Ithamar: Daniël.
Van de nakomelingen van David: Hattus.
Van de nakomelingen van Sechanja, uit de nakomelingen van Paros: Zacharja, met 150 mannen die in het register stonden.
Van de nakomelingen van Pahath-Moab: Eljehoenai, de zoon van Zerahja, met tweehonderd mannen.
Van de nakomelingen van Sechanja: de zoon van Jahaziël, met driehonderd mannen.
Van de nakomelingen van Adin: Ebed, de zoon van Jonathan, met vijftig mannen.
Van de nakomelingen van Elam: Jesaja, de zoon van Athalja, met zeventig mannen.
Van de nakomelingen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, met tachtig mannen.
Van de nakomelingen van Joab: Obadja, de zoon van Jehiël, met 218 mannen.
Van de nakomelingen van Selomith: de zoon van Josifja, met 160 mannen.
Van de nakomelingen van Babai: Zacharja, de zoon van Bebai, met achtentwintig mannen.
Van de nakomelingen van Azgad: Johanan, de zoon van Katan, met 110 mannen.
Van de laatste nakomelingen van Adonikam: Elifelet, Jehiël en Semaja, met zestig mannen.
Van de nakomelingen van Bigvai: Uthai en Zabbud, met zeventig mannen.
Levieten voor de tempel
Ik verzamelde hen bij de rivier die naar Ahava loopt, en daar bleven wij drie dagen.
Toen keek ik naar het volk en de priesters, en ik vond daar niemand van de Levieten.
Daarom liet ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Elnathan, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja en Mesullam roepen, die hoofden waren.
Ook liet ik Jojarib en Elnathan roepen, die leraren waren.
Ik stuurde hen naar Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja.
Ik legde hun de woorden in de mond die zij tegen Iddo, zijn broer en de tempelknechten daar moesten zeggen.
Zij moesten ons dienaren voor het huis van onze God brengen.
De goede hand van onze God was over ons.
Zij brachten ons een verstandig man uit de nakomelingen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van Israël.
Het was Serebja, met zijn zonen en broers, achttien man.
Ook kwam Hasabja, met Jesaja uit de nakomelingen van Merari, met zijn broers en hun zonen, twintig man.
Verder kwamen er 220 tempelknechten, die David en de leiders aan de Levieten gegeven hadden.
Zij werden allemaal bij naam genoemd.
Vasten bij de rivier Ahava
Daar bij de rivier Ahava riep ik een vasten uit.
Wij wilden ons voor onze God vernederen en Hem om een veilige reis vragen, voor ons, onze kinderen en al onze bezittingen.
Ik schaamde mij om de koning om soldaten en ruiters te vragen die ons onderweg tegen de vijand moesten beschermen.
Wij hadden namelijk tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken.
Zijn kracht en zijn toorn treffen allen die Hem verlaten.

Zo vastten wij en vroegen het aan onze God, en Hij liet zich verbidden.
Het zilver en het goud
Toen wees ik twaalf van de leiders van de priesters aan: Serebja, Hasabja en tien van hun broers.
Ik woog voor hen het zilver, het goud en de voorwerpen af, de gave voor het huis van onze God.
Die was gegeven door de koning, zijn raadsheren en zijn leiders, en door heel Israël dat er was.
Ik woog hun ongeveer 22 ton zilver toe, en honderd zilveren voorwerpen van elk ongeveer 34 kilo.
Aan goud woog ik ongeveer 3,4 ton af.
Verder twintig gouden bekers, samen duizend gouden munten waard, en twee voorwerpen van glanzend, goed koper, kostbaar als goud.
Ik zei tegen hen: U bent heilig voor de HEERE, en deze voorwerpen zijn heilig.
Dit zilver en goud is een vrijwillige gave aan de HEERE, de God van uw voorouders.

Waak erover en bewaar het, tot u het in Jeruzalem afweegt.
Dat doet u in de kamers van het huis van de HEERE.
De leiders van de priesters en de Levieten zijn erbij, met de familiehoofden van Israël.

Toen namen de priesters en de Levieten het afgewogen zilver, goud en gerei aan.
Zij moesten het naar het huis van onze God in Jeruzalem brengen.
De aankomst in Jeruzalem
Op de twaalfde dag van de eerste maand vertrokken wij van de rivier Ahava naar Jeruzalem.
De hand van onze God was over ons.
Hij redde ons van de vijand en van wie ons onderweg belaagden.
Wij kwamen in Jeruzalem aan en bleven daar drie dagen.
Op de vierde dag werden het zilver, het goud en de voorwerpen in het huis van onze God gewogen.
Dat gebeurde door de priester Meremoth, de zoon van Uria, met Eleazar, de zoon van Pinehas.
Ook de Levieten Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, waren erbij.
Alles werd geteld en gewogen, en het hele gewicht werd toen opgeschreven.
De teruggekeerde ballingen brachten brandoffers voor de God van Israël: twaalf stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen en zevenenzeventig lammeren.
Ook offerden zij twaalf bokken als zondoffer.
Alles was een brandoffer voor de HEERE.
Daarna gaven zij de wetten van de koning aan zijn stadhouders en landvoogden aan deze kant van de rivier.
Die hielpen het volk en het huis van God.

Download hoofdstuk als tekstbestand