Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Ezra 10
Het volk stuurt de vreemde vrouwen weg
Het voorstel van Sechanja
Terwijl Ezra zo bad en dit beleed, huilde hij en wierp hij zich voor het huis van God neer.
Er kwam een heel grote menigte Israëlieten bij hem, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk huilde luid.
Er kwam een heel grote menigte Israëlieten bij hem, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk huilde luid.
Toen zei Sechanja, de zoon van Jehiël, een van de nakomelingen van Elam, tegen Ezra: Wij zijn ontrouw geweest aan onze God.
Wij hebben vrouwen van de volken van het land bij ons laten wonen.
Maar hierin is er nog hoop voor Israël.
Wij hebben vrouwen van de volken van het land bij ons laten wonen.
Maar hierin is er nog hoop voor Israël.
Laten wij nu een verbond sluiten met onze God om al die vrouwen en hun kinderen weg te sturen.
Dat doen wij naar de raad van de HEERE en van wie beven voor het gebod van onze God.
Laat het gaan zoals de wet het zegt.
Dat doen wij naar de raad van de HEERE en van wie beven voor het gebod van onze God.
Laat het gaan zoals de wet het zegt.
Sta op, want dit is uw zaak.
Wij staan achter u.
Wees sterk en doe het.
Wij staan achter u.
Wees sterk en doe het.
Toen stond Ezra op.
Hij liet de leiders van de priesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij dit zouden doen, en zij zwoeren het.
Hij liet de leiders van de priesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij dit zouden doen, en zij zwoeren het.
Ezra stond op van voor het huis van God en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib.
Daar at hij geen brood en dronk hij geen water, want hij rouwde om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen.
Daar at hij geen brood en dronk hij geen water, want hij rouwde om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen.
Zij lieten in Juda en Jeruzalem omroepen dat alle teruggekeerde ballingen naar Jeruzalem moesten komen.
Wie niet binnen drie dagen kwam, zou volgens het besluit van de leiders en de oudsten al zijn bezit verliezen.
Hij zou ook worden uitgesloten uit de vergadering van de teruggekeerde ballingen.
Hij zou ook worden uitgesloten uit de vergadering van de teruggekeerde ballingen.
De vergadering in Jeruzalem
Binnen drie dagen kwamen alle mannen van Juda en Benjamin in Jeruzalem bijeen.
Het was de twintigste dag van de negende maand.
Heel het volk zat op het plein bij het huis van God, rillend om deze zaak en van de stortregens.
Het was de twintigste dag van de negende maand.
Heel het volk zat op het plein bij het huis van God, rillend om deze zaak en van de stortregens.
Toen stond de priester Ezra op en zei tegen hen: U bent ontrouw geweest en hebt vrouwen van vreemde volken bij u laten wonen.
Zo hebt u de schuld van Israël nog groter gemaakt.
Zo hebt u de schuld van Israël nog groter gemaakt.
Belijd het nu aan de HEERE, de God van uw voorouders, en doe wat Hij wil.
Ga weg bij de volken van het land en bij de vreemde vrouwen.
Ga weg bij de volken van het land en bij de vreemde vrouwen.
De hele vergadering antwoordde met luide stem: U hebt gelijk, wij moeten doen wat u zegt.
Maar het volk is met velen en het is de tijd van de stortregens.
Wij kunnen hier niet buiten blijven staan.
Het is ook geen werk van één of twee dagen, want velen van ons zijn hierin ontrouw geweest.
Wij kunnen hier niet buiten blijven staan.
Het is ook geen werk van één of twee dagen, want velen van ons zijn hierin ontrouw geweest.
Laat onze leiders daarom voor de hele vergadering optreden.
Iedereen in onze steden die een vreemde vrouw bij zich heeft laten wonen, komt dan op een vastgestelde tijd.
De oudsten en de rechters van elke stad komen met hen mee.
Zo keren wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons af.
Iedereen in onze steden die een vreemde vrouw bij zich heeft laten wonen, komt dan op een vastgestelde tijd.
De oudsten en de rechters van elke stad komen met hen mee.
Zo keren wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons af.
Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, waren hiertegen.
Mesullam en de Leviet Sabbethai steunden hen.
Mesullam en de Leviet Sabbethai steunden hen.
De teruggekeerde ballingen deden het zo.
De priester Ezra koos mannen uit, familiehoofden, elk voor zijn familie, allemaal bij naam genoemd.
Op de eerste dag van de tiende maand gingen zij zitten om deze zaak te onderzoeken.
De priester Ezra koos mannen uit, familiehoofden, elk voor zijn familie, allemaal bij naam genoemd.
Op de eerste dag van de tiende maand gingen zij zitten om deze zaak te onderzoeken.
Op de eerste dag van de eerste maand waren zij klaar met alle mannen die een vreemde vrouw bij zich hadden laten wonen.
De lijst van namen
Onder de zonen van de priesters bleken er te zijn die een vreemde vrouw hadden.
Van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.
Van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.
Zij beloofden met de hand dat zij hun vrouwen zouden wegsturen.
Voor hun schuld offerden zij een ram uit de kudde.
Voor hun schuld offerden zij een ram uit de kudde.
Van de nakomelingen van Immer: Hanani en Zebadja.
Van de nakomelingen van Harim: Maäseja, Elia, Semaja, Jehiël en Uzia.
Van de nakomelingen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa.
Van de Levieten: Jozabad, Simeï, Kelaja, die ook Kelita heet, Pethahja, Juda en Eliëzer.
Van de zangers: Eljasib.
Van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.
Van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.
Van Israël: van de nakomelingen van Paros: Ramja, Jezia, Malchia, Mijamin, Eleazar, Malchia en Benaja.
Van de nakomelingen van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia.
Van de nakomelingen van Zatthu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremoth, Zabad en Aziza.
Van de nakomelingen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai en Athlai.
Van de nakomelingen van Bani: Mesullam, Malluch, Adaja, Jasub, Seal en Jeramoth.
Van de nakomelingen van Pahath-Moab: Adna, Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, Binnuï en Manasse.
Van de nakomelingen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
Benjamin, Malluch en Semarja.
Van de nakomelingen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simeï.
Van de nakomelingen van Bani: Maädai, Amram, Uël,
Benaja, Bedeja, Cheluhu,
Vanja, Meremoth, Eljasib,
Mattanja, Mathnai, Jaäsai,
Bani, Binnuï, Simeï,
Selemja, Nathan, Adaja,
Machnadbai, Sasai, Saraï,
Azareël, Selemja, Semarja,
Sallum, Amarja en Jozef.
Van de nakomelingen van Nebo: Jeïel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja.
Zij hadden allemaal vreemde vrouwen genomen.
Sommigen van hen hadden bij die vrouwen kinderen gekregen.
Sommigen van hen hadden bij die vrouwen kinderen gekregen.