Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezechiël 44

De gesloten poort en de priesters

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Deze poort blijft dicht
Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die naar het oosten kijkt.
Die was gesloten.
De HEERE zei tegen mij: Deze poort blijft gesloten.
Zij zal niet geopend worden en niemand mag erdoor naar binnen gaan.
Want de HEERE, de God van Israël, is erdoor naar binnen gegaan.
Daarom blijft zij gesloten.

Alleen de vorst mag daar zitten om brood te eten voor het gezicht van de HEERE.
Hij zal via de voorhal van de poort naar binnen gaan en langs dezelfde weg weer naar buiten.

Daarna bracht hij mij via de noordpoort naar de voorkant van het huis.
Ik keek, en kijk, de heerlijkheid van de HEERE vulde het huis van de HEERE.
Toen viel ik op mijn gezicht.
De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, let goed op.
Kijk met je ogen en luister met je oren naar alles wat ik tegen je zeg.
Het gaat over alle wetten en regels van het huis van de HEERE.
Let goed op de ingang van het huis en op alle uitgangen van het heiligdom.

Zeg tegen die opstandelingen, tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE.
Het is genoeg geweest met al jullie gruwelen, volk van Israël.

Jullie hebben vreemden binnengebracht met een onbesneden hart en een onbesneden lichaam, om in mijn heiligdom te zijn en mijn huis te ontheiligen.
Dat deden jullie terwijl jullie mijn brood, het vet en het bloed offerden.
Zij verbraken mijn verbond, boven al jullie gruwelen.

Jullie hebben de zorg voor mijn heilige dingen niet op je genomen.
In plaats daarvan hebben jullie anderen aangesteld om die zorg in mijn heiligdom te doen.

Dit zegt de Heere HEERE: geen vreemdeling met een onbesneden hart en een onbesneden lichaam mag mijn heiligdom binnengaan.
Dat geldt ook als hij tussen de Israëlieten woont.

De Levieten en de priesters
Maar de Levieten die ver van mij weggingen toen Israël afdwaalde, die van mij wegliepen achter hun afgoden aan, zullen hun schuld dragen.
Toch zullen zij dienaars zijn in mijn heiligdom.
Zij zullen de wacht houden bij de poorten van het huis en het huis bedienen.
Zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten.
Zij zullen voor het volk staan om hen te dienen.

Want zij dienden het volk voor hun afgoden en brachten het volk van Israël tot schuld.
Daarom heb ik mijn hand tegen hen opgeheven, zegt de Heere HEERE.
Zij zullen hun schuld dragen.

Zij zullen niet tot mij naderen om mij als priester te dienen.
Zij komen niet bij mijn heilige dingen, bij de allerheiligste gaven.
Zij zullen hun schande dragen en de gruwelen die zij gedaan hebben.

Ik zal hen aanstellen om de zorg voor het huis te doen, voor alle dienst en voor alles wat daarin gebeurt.
Maar de Levitische priesters, de nakomelingen van Zadok, hielden de zorg voor mijn heiligdom toen de Israëlieten van mij afdwaalden.
Zij zullen tot mij naderen om mij te dienen.
Zij zullen voor mij staan om mij het vet en het bloed te offeren, zegt de Heere HEERE.

Zij zullen mijn heiligdom binnengaan en tot mijn tafel naderen om mij te dienen.
Zij zullen mijn dienst waarnemen.

Als zij door de poorten van de binnenste voorhof naar binnen gaan, moeten zij linnen kleren dragen.
Er mag geen wol op hen komen als zij dienen in de poorten van de binnenste voorhof en daarbinnen.

Zij moeten linnen tulbanden op hun hoofd dragen en linnen broeken om hun heupen.
Zij mogen zich niet omgorden met iets waarin zij gaan zweten.

Als zij naar de buitenste voorhof gaan, naar het volk, moeten zij de kleren uittrekken waarin zij gediend hebben.
Zij moeten die in de heilige kamers leggen en andere kleren aantrekken.
Zo zullen zij het volk niet heilig maken met hun kleren.

Zij mogen hun hoofd niet kaalscheren en hun haar niet lang laten groeien.
Zij moeten hun haar netjes bijknippen.

Geen priester mag wijn drinken als hij de binnenste voorhof binnengaat.
Zij mogen geen weduwe of verstoten vrouw trouwen.
Zij moeten trouwen met jonge vrouwen uit het volk van Israël, of met de weduwe van een priester.

Zij zullen mijn volk het verschil leren tussen heilig en gewoon.
Zij zullen hun het verschil tussen onrein en rein bekendmaken.

Bij een rechtszaak zullen zij rechtspreken.
Zij zullen oordelen naar mijn regels.
Zij zullen mijn wetten en mijn voorschriften houden bij al mijn feesten en mijn sabbatten heilig houden.

Geen van hen mag bij een dode komen en zich zo onrein maken.
Alleen om een vader, een moeder, een zoon, een dochter, een broer of een ongetrouwde zus mogen zij zich onrein maken.

Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen tellen.
Op de dag dat hij het heilige binnengaat, de binnenste voorhof, om daar te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, zegt de Heere HEERE.
Dit zal hun erfdeel zijn: ik ben hun erfdeel.
Daarom moeten jullie hun geen grondbezit in Israël geven.
Ik ben hun bezit.

Zij zullen het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer eten.
Ook alles wat in Israël aan de HEERE gewijd is, zal van hen zijn.

De eerste opbrengst van alles en elke offergave van jullie gaven zullen voor de priesters zijn.
Ook het eerste van jullie deeg moeten jullie aan de priester geven, zodat er zegen op je huis rust.

De priesters mogen geen gestorven of verscheurd dier eten, niet van vogels en niet van vee.

Download hoofdstuk als tekstbestand