Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezechiël 34

De herders en de ware Herder

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Herders die zichzelf weiden
Het woord van de HEERE kwam tot mij.
Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël.
Profeteer en zeg tegen hen, tegen de herders: dit zegt de Heere HEERE.
Wee de herders van Israël die zichzelf weiden!
Moeten herders niet de schapen weiden?

Jullie eten het vet en kleden je met de wol.
Jullie slachten het gemeste vee, maar de schapen weiden jullie niet.

De zwakke maken jullie niet sterk.
Het zieke dier genezen jullie niet.
Het gewonde dier verbinden jullie niet.
Het verdwaalde dier brengen jullie niet terug.
Het verlorene zoeken jullie niet.
Maar jullie heersen over hen met hardheid en geweld.

Zo raakten zij verstrooid, omdat er geen herder was.
Zij werden voedsel voor alle wilde dieren van het veld, doordat zij verstrooid waren.

Mijn schapen dolen over alle bergen en op elke hoge heuvel.
Ja, mijn schapen zijn over heel de aarde verstrooid.
Niemand vraagt naar hen en niemand zoekt ze.

Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE.
Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE.
Mijn schapen werden een prooi.
Mijn schapen werden voedsel voor alle wilde dieren van het veld, omdat er geen herder was.
Mijn herders vroegen niet naar mijn schapen.
Zij weidden zichzelf, maar mijn schapen weidden zij niet.

Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE.
Dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik keer mij tegen de herders.
Ik zal mijn schapen van hen opeisen en een einde maken aan hun weiden.
De herders zullen zichzelf niet meer weiden.
Ik zal mijn schapen uit hun mond rukken; die zullen niet langer hun voedsel zijn.

Ik zal zelf mijn schapen zoeken
Want dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik zal zelf naar mijn schapen vragen en ze opzoeken.
Zoals een herder zijn kudde opzoekt op de dag dat hij bij zijn verspreide schapen is, zo zal ik mijn schapen opzoeken.
Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid zijn op een dag van wolken en donkerheid.

Ik zal ze weghalen bij de volken en verzamelen uit de landen.
Ik zal ze naar hun eigen land brengen.
Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beken en op alle bewoonde plekken van het land.

Op een goede weide zal ik ze weiden.
Op de hoge bergen van Israël zal hun stal zijn.
Daar zullen zij liggen in een goede stal en grazen op een vette weide, op de bergen van Israël.

Ik zal mijn schapen zelf weiden en ik zal ze laten rusten, zegt de Heere HEERE.
Het verlorene zal ik zoeken en het verdwaalde zal ik terugbrengen.
Het gewonde zal ik verbinden en het zieke zal ik sterk maken.
Maar het vette en het sterke zal ik vernietigen.
Ik zal ze weiden met recht.

En jullie, mijn schapen, de Heere HEERE zegt dit: kijk, ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap, tussen de rammen en de bokken.
Is het jullie niet genoeg dat jullie de goede weide afgrazen?
Moeten jullie de rest van de weide ook nog vertrappen?
Moeten jullie het heldere water drinken en de rest met je poten troebel maken?

Moeten mijn schapen dan grazen wat jullie vertrapt hebben en drinken wat jullie troebel gemaakt hebben?
Daarom zegt de Heere HEERE dit tegen hen: kijk, ik zal zelf rechtspreken tussen het vette vee en het magere vee.
Jullie duwen alle zwakken opzij met flank en schouder en stoten ze met je hoorns, tot jullie ze naar buiten verdreven hebben.
Daarom zal ik mijn schapen redden; zij zullen geen prooi meer zijn.
Ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap.

Eén Herder over hen
Ik zal één Herder over hen aanstellen die hen zal weiden: mijn knecht David.
Hij zal ze weiden en Hij zal hun Herder zijn.

En ik, de HEERE, zal hun God zijn.
Mijn knecht David zal Vorst zijn in hun midden.
Ik, de HEERE, heb het gesproken.

Ik zal een verbond van vrede met hen sluiten.
Ik zal de wilde dieren uit het land laten verdwijnen.
Zij zullen veilig wonen in de woestijn en slapen in de bossen.

Want ik zal hen en de plaatsen rondom mijn heuvel tot een zegen maken.
Ik zal de regen op tijd laten vallen; er zullen regens van zegen zijn.

De bomen van het veld zullen hun vrucht geven en het land zal zijn opbrengst geven.
Zij zullen veilig zijn in hun land.
Ik zal de balken van hun juk breken en hen redden uit de hand van wie hen lieten dienen.
Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben.

Zij zullen geen prooi meer zijn voor de volken en de wilde dieren van de aarde zullen hen niet opeten.
Zij zullen veilig wonen en niemand zal hen opschrikken.

Ik zal voor hen een beroemde aanplant laten opkomen.
Zij zullen niet meer weggerukt worden door honger in het land en de spot van de volken niet meer dragen.

Zij zullen weten dat ik, de HEERE, hun God, met hen ben.
Zij zullen weten dat zij mijn volk zijn, het volk van Israël, zegt de Heere HEERE.

En jullie, mijn schapen, schapen van mijn weide, jullie zijn mensen.
Maar ik ben jullie God, zegt de Heere HEERE.

Download hoofdstuk als tekstbestand