Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezechiël 33

De wachter en het bericht uit Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
De wachter op de muur
Het woord van de HEERE kwam tot mij.
Mensenkind, spreek tot de mensen van je volk en zeg tegen hen: stel dat ik het zwaard over een land breng.
Dan kiest het volk van dat land één man uit hun midden en stelt hem aan als wachter.

Hij ziet het zwaard over het land komen.
Hij blaast op de ramshoorn en waarschuwt het volk.

Iemand hoort het geluid van de hoorn, maar laat zich niet waarschuwen.
Dan komt het zwaard en neemt hem weg.
Zijn bloed komt op zijn eigen hoofd neer.

Hij hoorde het geluid van de hoorn, maar liet zich niet waarschuwen.
Zijn bloed komt op hemzelf neer.
Maar wie zich wel laat waarschuwen, redt zijn leven.

Stel dat de wachter het zwaard ziet komen, maar niet op de hoorn blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt.
Dan komt het zwaard en neemt iemand van hen weg.
Die is weggenomen om zijn eigen schuld, maar zijn bloed zal ik van de wachter eisen.

En jij, mensenkind, ik heb je aangesteld als wachter over het volk van Israël.
Je zult het woord uit mijn mond horen en hen namens mij waarschuwen.

Ik zeg tegen de goddeloze: goddeloze, je zult sterven!
Als jij dan niet spreekt om hem van zijn weg af te brengen, dan zal die goddeloze sterven om zijn schuld.
Maar zijn bloed zal ik van jou eisen.

Maar als jij de goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, en hij bekeert zich niet, dan zal hij sterven om zijn schuld.
Maar jij hebt je leven gered.

Daarom, mensenkind, zeg tegen het volk van Israël.
Jullie zeggen: onze overtredingen en onze zonden drukken op ons.
Wij kwijnen erin weg.
Hoe zouden wij dan kunnen leven?

Zeg tegen hen: zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE, ik vind het niet fijn als de goddeloze sterft.
Ik wil juist dat hij zich van zijn weg bekeert en leeft.
Bekeer je, bekeer je van jullie slechte wegen.
Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?

En jij, mensenkind, zeg tegen de mensen van je volk.
De gerechtigheid van de rechtvaardige redt hem niet op de dag dat hij overtreedt.
En de goddeloze zal niet vallen om zijn goddeloosheid op de dag dat hij zich ervan bekeert.
De rechtvaardige kan niet leven van zijn gerechtigheid op de dag dat hij zondigt.

Ik zeg tegen de rechtvaardige dat hij zeker zal leven.
Maar als hij op zijn gerechtigheid vertrouwt en onrecht doet, telt al zijn gerechtigheid niet meer mee.
Hij zal sterven om het onrecht dat hij doet.

Als ik tegen de goddeloze zeg: je zult sterven!, en hij bekeert zich van zijn zonde en doet recht en gerechtigheid,
als hij het onderpand teruggeeft en het geroofde vergoedt, en leeft naar de regels die leven geven, dan zal hij zeker leven.
Hij doet geen onrecht meer en zal niet sterven.

Geen van de zonden die hij gedaan heeft, zal hem nog aangerekend worden.
Hij heeft recht en gerechtigheid gedaan; hij zal zeker leven.

Toch zeggen de mensen van je volk: de weg van de HEERE is niet eerlijk.
Terwijl juist hun eigen weg niet eerlijk is.

Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, dan zal hij daardoor sterven.
En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en recht en gerechtigheid doet, dan zal hij daardoor leven.
Toch zeggen jullie: de weg van de HEERE is niet eerlijk.
Ik zal jullie oordelen, ieder naar zijn eigen wegen, volk van Israël.

De stad is gevallen
Het was het twaalfde jaar van onze ballingschap, de tiende maand, de vijfde dag.
Toen kwam er iemand bij mij die uit Jeruzalem ontkomen was.
Hij zei: De stad is gevallen.
De avond voor die vluchteling kwam, was de hand van de HEERE op mij geweest.
Hij had mijn mond geopend, voordat de man de volgende morgen bij mij kwam.
Zo ging mijn mond open en was ik niet langer stom.

Toen kwam het woord van de HEERE tot mij.
Mensenkind, de bewoners van de puinhopen in het land van Israël zeggen: Abraham was maar één man en hij kreeg dit land in bezit.
Wij zijn met velen; het land is ons gegeven als bezit.

Zeg daarom tegen hen: dit zegt de Heere HEERE.
Jullie eten vlees met het bloed erin, kijken op naar jullie afgoden en vergieten bloed.
Zouden jullie dan het land in bezit krijgen?

Jullie vertrouwen op je zwaard.
Jullie doen gruwelijke dingen en onteren allemaal de vrouw van je naaste.
Zouden jullie dan het land in bezit krijgen?

Zeg dit tegen hen: de Heere HEERE zegt dit.
Zo waar ik leef, wie in de puinhopen zitten, zullen door het zwaard vallen.
Wie op het open veld is, geef ik aan de wilde dieren om op te eten.
Wie in de vestingen en de grotten zitten, zullen aan de pest sterven.

Want ik zal het land tot een woestenij en een schrikbeeld maken.
De trots van zijn kracht zal ophouden.
De bergen van Israël zullen zo verlaten zijn dat niemand er nog doorheen trekt.

Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben, als ik het land tot een woestenij en een schrikbeeld gemaakt heb om al hun gruwelen.
En jij, mensenkind, de mensen van je volk praten steeds over je bij de muren en in de deuren van de huizen.
De een zegt tegen de ander: kom toch en luister naar het woord dat van de HEERE komt.

Zij komen naar je toe zoals een volk samenkomt.
Zij gaan voor je zitten als mijn volk en horen je woorden, maar zij doen ze niet.
Want hun mond is vol vleierij, terwijl hun hart achter hun winst aan loopt.

En kijk, je bent voor hen als een liefdeslied, als iemand met een mooie stem die goed speelt.
Zij horen je woorden, maar zij doen ze niet.

Maar als het komt, en kijk, het zal komen, dan zullen zij weten dat er een profeet bij hen geweest is.

Download hoofdstuk als tekstbestand