Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Exodus 1
De Israëlieten worden in Egypte onderdrukt
Jakobs familie wordt een machtig volk
Dit zijn de namen van Israëls zonen die samen met Jakob naar Egypte kwamen.
Ieder nam zijn gezin mee.
Ieder nam zijn gezin mee.
Zij heetten Ruben, Simeon, Levi en Juda.
Ook Issaschar, Zebulon en Benjamin hoorden erbij.
Verder waren er Dan, Nafthali, Gad en Aser.
Er waren in totaal zeventig mensen die rechtstreeks van Jakob afstamden.
Jozef was toen al in Egypte.
Jozef was toen al in Egypte.
Later stierven Jozef, al zijn broers en iedereen van die generatie.
De Israëlieten kregen echter veel kinderen.
Hun aantal groeide enorm en ze werden heel machtig.
Zo raakte het land vol met hen.
Hun aantal groeide enorm en ze werden heel machtig.
Zo raakte het land vol met hen.
De nieuwe koning onderdrukt de Israëlieten
Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte die Jozef niet kende.
Hij zei tegen zijn volk: Kijk, de Israëlieten zijn talrijker en machtiger dan wij.
We moeten slim tegen hen optreden, zodat ze niet nog talrijker worden.
Anders sluiten ze zich bij onze vijanden aan wanneer er oorlog uitbreekt.
Dan zullen ze tegen ons vechten en uit het land vertrekken.
Anders sluiten ze zich bij onze vijanden aan wanneer er oorlog uitbreekt.
Dan zullen ze tegen ons vechten en uit het land vertrekken.
Daarom stelden de Egyptenaren opzichters aan om hen met zware arbeid te onderdrukken.
De Israëlieten bouwden voor Farao de voorraadsteden Pitom en Raamses.
De Israëlieten bouwden voor Farao de voorraadsteden Pitom en Raamses.
Maar hoe meer de Egyptenaren hen onderdrukten, hoe talrijker de Israëlieten werden en hoe sneller hun volk groeide.
Daardoor werden de Egyptenaren steeds ongeruster over hen.
Daardoor werden de Egyptenaren steeds ongeruster over hen.
De Egyptenaren dwongen de Israëlieten tot zware slavenarbeid.
Ze maakten hun leven bitter door zware dwangarbeid.
Ze moesten met leem en bakstenen werken en allerlei werk op het land doen.
Bij al dit werk werden ze hard behandeld.
Ze moesten met leem en bakstenen werken en allerlei werk op het land doen.
Bij al dit werk werden ze hard behandeld.
De vroedvrouwen gehoorzamen God
De koning van Egypte sprak ook met de Hebreeuwse vroedvrouwen.
De ene heette Sifra en de andere Pua.
De ene heette Sifra en de andere Pua.
Hij zei: Wanneer jullie Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling op de geboortestoel helpen, kijk dan goed naar het kind.
Is het een jongen, dood hem.
Is het een meisje, laat haar leven.
Is het een jongen, dood hem.
Is het een meisje, laat haar leven.
Maar de vroedvrouwen hadden diep ontzag voor God.
Daarom gehoorzaamden ze de koning van Egypte niet en lieten ze de jongens leven.
Daarom gehoorzaamden ze de koning van Egypte niet en lieten ze de jongens leven.
De koning riep de vroedvrouwen bij zich en vroeg: Waarom hebben jullie dit gedaan?
Waarom hebben jullie de jongens laten leven?
Waarom hebben jullie de jongens laten leven?
De vroedvrouwen antwoordden Farao: Dat komt doordat Hebreeuwse vrouwen anders zijn dan Egyptische vrouwen.
Ze zijn sterk en bevallen al voordat de vroedvrouw bij hen komt.
Ze zijn sterk en bevallen al voordat de vroedvrouw bij hen komt.
Daarom was God goed voor de vroedvrouwen.
Het volk bleef groeien en werd zeer machtig.
Het volk bleef groeien en werd zeer machtig.
Omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, zorgde Hij ervoor dat zij gezinnen kregen.
Farao beveelt de jongens te verdrinken
Toen gaf Farao heel zijn volk dit bevel: Gooi elke pasgeboren jongen in de rivier, maar laat elk meisje leven.